HomeBeschouwingen betreffende de ontginning en de bebossching in de provincie NoordbrabantPagina 41

JPEG (Deze pagina), 927.68 KB

TIFF (Deze pagina), 6.64 MB

PDF (Volledig document), 49.75 MB

i
li
Vl
tl
il
ti 44
ll .
Van de groote waterwegen dient hier te worden genoemd het Wil-
ïg helmina-kanaal, waarvan de voorbereidende werkzaamheden; be-
gonnen in 1907 en dat voltooid werd in 1923. Reeds is gebleken,
dat de aanleg van dit kanaal ten goede komt aan den ondernemings­ ,
jg lust in de streek welke het doorsnijdt; aan weerszijden ervan zijn
verschillende ontginningen ondernomen.
is In het algemeen kan gezegd worden, dat een redelijke aanleg
van goede wegen en fietspaden. zeer bevorderlijk is aan de ontgin-
ning en verbetering van gronden. Bij verkaveling van woeste
zj gronden wordt dan ook geregeld erop gelet, dat de noodige terreinen
voor aanleg van wegen worden gereserveerd. Aan gemeenten, die
lä in het bezit zijn van woeste gronden, kan niet genoeg worden aan- 7
geraden, tijdig een wegenplan vast te stellen, waarbij te letten
is op goede verbinding met de kommen der dorpen, waar kerk en
school gelegeni zijn, doch ook met de groote heerbanen en vooral
jj, met de waterwegen.
tl
§ 2. Omfwatering van gronden.
li
Een der moeilijkste vraagstukken is voor Noordbrabant de ont-
watering der woeste en der in ontginning zijnde gronden in ,
verband met de ontwatering der gecultivecrde terreinen. `
Op den ln Januari 1907 trad het nieuwe reglement op de water-
ll leidingen in Noordbrabant in werking. Tien gevolge hiervan
moesten voortaan de openbare waterleidingen, in de leggers om-
schreven, door en voor rekening van de betrokken gemeenten en
g; waterschappen worden onderhouden. De gunstige invloed van dit
g voorschrift deed zich aanstonds, vooral in de zandstreken, gevoelen,
Beter dan vroeger werden de waterleidingen geruimd en gezuiverd.
Het provinciaal bestuur tracht steeds de besturen van gemeenten
en waterschappen te houden aan hun plicht in deze.
ln 1912 verklaarde het College van Gedeputeerde Staten (Zomer- l
zitting bijl. Nr. 85) o.a. aan de Staten:
l ,,Wij zijn van oordeel, dat in het algemeen belang de ontginningen
j ,,zooveel mogelijk moeten worden bevorderd en dat, zoo deze aan
,,derden hinder of schade mochten berokkenen, door onderlinge
g ,,samenwerking getracht moet worden aan gegzronde klachten;
,,tegemoet te komen."
De ervaring heeft geleerd, dat de ontwatering van gronden
, alleen dan met goed gevolg kan plaats hebben, wanneer zij niet
ik enkel plaatselijk en incidenteel, doch volgen·s een algemeen stelsel
. geschiedt.
g Hier moge worden herinnerd aan de rapporten, door het
ingenieursbureau voor afwateringsbelangen en openbare werken
F in 1920 aan het provinciaal bestuur uitgebracht, betreffende af- .
‘!i
äïlj