HomeBeschouwingen betreffende de ontginning en de bebossching in de provincie NoordbrabantPagina 38

JPEG (Deze pagina), 939.07 KB

TIFF (Deze pagina), 6.52 MB

PDF (Volledig document), 49.75 MB

41
verkreeg deze vereeniging het Drunensche zan·d in eigendom, waar-
door deze zandverstuiving in haar natuurlijken toestand zal worden
bewaard.
Tot de voordeelen van de bebossching behoort stellig de hygieni-
sche beteekenis van het bosch, die voor een groot deel is toe te
schrijven aan de zuiverheid van de boschlucht. Een andere voor-
name factor is ook de beschuttende werking, welke het bosch ten .
opzichte van den wind uitoefent. Vooral voor ons vlakke land en
in ons klimaat is zulks van groote beteekenis. In het bijzonder is
deze beschutting van belang tegen schrale winden. Bij het oprichten
van sanatoria kiest .men daarom bij voorkeur een door bosch beschut-
B te plek in eene boschrijke streek.
Ten slotte bevat de bosehlucht in naaldhoutbosschen dikwijls
‘ aetherische oliën en vermoedelijk is zij dikwijls rijk aan ozon.
De gr-oote beteekenis van de bosschen op hydrologisch gebied
· wordt voor de bergachtige streken thans algemeen erkend. Minder
algemeen wordt echter de waarde ingezien van den waterregelenden
invloed, dien; de bosschen. ook in een land als het onze hebben;
vooral voor eene betrekkelijk laaggelegen landstreek als Noordbra-
i bant, waar de beken en riviertjes door gering verval het water
slechts langzaam kunnen; afvoeren, is deze invloed niet gering.
De neerslag, die op eene beboschte oppervlakte valt, verdampt
gedeeltelijk van de kr·onen, vóór dat hij den grond bereikt; een
an·der gedeelte w·ordt door den hurrrus vastgehouden, terwijl de
boomen en de d·aar·o·nder aanwezige vegetatie zelve ook veel water r
behoeven. Het ge·deelte van den neerslag, dat in de beken en riviertjes
terecht komt, is in een boschperceel veel geringer, dan in het vrije
veld. Bovendien legt het water den weg naar de beken e.d. veel
langzamer af bij bosch dan jbij cultuurgrond. Door de betrekkelijk
lage en, vlakke ligging van den Brabantschen grond vindt men
° daar gewoonlijk een betrekkelijk hoogen grondwaterstand, die
maakt, dat eene flinke ontwatening in den; regel een van de voor-
naamste voorwaarden, is voor het slagen; van een cultuur. Bij het
ontginnen van woesten grond tot bouw- of graslan­d behoort het
aanleggen van een doelmatig slootennet t·ot de eerste werkzaam-
heden. Ook bij bebossching is een behoorlijke ontwatering van
gronden, welke overlast van water hebben, een eerste vereischte.
Hierbij diient te worden o·pgemerkt, dat in de laatste jaren de be-
bossching meer tot de hoogere gronden; beperkt wordt.
Bij eventueele bebossching van woesten grond, welke ontwate- ·
ring noo·dig had, wordt evenals bij bouw- en grasland aanvankelijk
wel veel water afgevoerd, zoodat ook de bebosschingen gedurende `
de eerste jaren medewerken tot snelle afvloeiing van het hemel-
Water. Zoodra het jonge boschbestand echter in sluiting begint te