HomeBeschouwingen betreffende de ontginning en de bebossching in de provincie NoordbrabantPagina 36

JPEG (Deze pagina), 952.05 KB

TIFF (Deze pagina), 6.53 MB

PDF (Volledig document), 49.75 MB

39 .
‘ Op 1 Januari 1923 bedroeg de oppervlakte bosch in Nederland ruin:
9000 H.A. minder dan in 1907 en ruim 12000 H.A. minder dan in
1911, het jaar, waarin de boschoppervlakte het grootst was
(260923 H.A.).
'Aangezien het gebruik van hout niet alleen in ons land, d·och
over de geheele wereld steeds toeneemt, moet door de landen, waar
houtgebrek heerscht, steeds meer hout worden geïmporteerd uit
streken, waar het gebruik door de productie wordt overtroffen.
Gedurende de oorlogsjaren; is hier te lande tengevolge van de moei-
lijkheden, die de import ondervond en terrgevolge van de hooge
_ houtprijzen en het brandstofgebrek een groot" deel van het hout,
dat maar eenigszins voor veiling in aanmerking kwam, te gelde
gemaakt. Daardoor en' mede tengevolge van de daling der hout-
prijzen is na den oorlog het aanbod van inlandsch hout afgenomen.
Door de lage valuta in de naburige landen kon Nederland echter
gemakkelijk zijn houtibehoefte door invoer dekken, zoodat de ver-
minderde houtvoorraad zich aanvankelijk ondanks de groote vraag
naar hout ten onzent niet sterk deed gevoelen. Nu de invoer echter
is verminderd en ïmeer normale afmetingen? heeft aangenomlen, is
de vraag naar inlandsc'h hout wederom vermeerderd. Een en ander
_, vindt uitdrukking in de prijzen die in den afgel-oopen winter op ·de
houtveilingien werden besteed en waaruit blijkt, dat de invloed van
den verminderden houtvoorraad zich thans begint te doen gelden.
De afname van den houtvoorraad en de toename van het verbruik
z-ouden geen zorgen. behoeven. te baren, indien Nederland er verze-
kerd van ko·n zijn, steeds vol-doende hout t·e kunnen invoeren. Reeds
sedert geruimlen tijd is echter herhaaldelijk de aandacht gevestigd
op den achteruitgang van den wereldho·utvoorraad. Van de 7 hout-
exporteerende landen in 1898 zijn er nog slechts enïkele over, zoodat `
men zich in dit opzicht geene lillu·ssie’s moet scheppen.
Toen onze mijnindustrie in de oorlogsjaren geheel op den in-
! landschlen houtv­oorraad was aangewezen, is de bijzonder groote be-
teekenis van een flink boschbezit ook voor ­ons land duidelijk aan
getoond. Het feit, dat ·de in onze bosschen aanwezige hoeveelheid
mijnhout nog slechts toereikend z­ou zijn geweest voor tenx hoogste
3 jaren en dat dan vrijwel al onze oudere dennen·bosschen verdwe-
nen zouden zün, .stemt wel tot nadenfken.
«Behalve voor de mijnindustrie hebben onze bosschen, wat de
houtvoorziening betreft, ook in ander opzicht eene groote betee-
kenis. Waar men groote boschcomplexen aantreft van verschillenden
leeftijd, wordt daaruit in de behoefte aan hout in wijden kring
voorzien. De land- en tuinbouwers koopen in die bosschen al het
hout, dat zij in hunne bedrijven noodig hebben en dat zij anders
tegen hooge prijzen van handelaren zou·den moeten betrekken, die
het van verre zoudienl moeten aanvoeren. Ook bij den bouw van de