HomeBeschouwingen betreffende de ontginning en de bebossching in de provincie NoordbrabantPagina 35

JPEG (Deze pagina), 971.76 KB

TIFF (Deze pagina), 6.53 MB

PDF (Volledig document), 49.75 MB

jï · _
E
ei
il
ijf
jï 38
it
ïl §4. De voordaeïrm van de bebosschivzg. ·
ï De boschbouw heeft een gunstigen invloed op de welvaart ten
plattelande. De werkzaamheden ‘bij de bebossching zooals grond-
bewerking, ontwatering, aanleg van wegen, beplanting en·z. vinden
voornamelijk in den winter en het vroege voorjaar plaats, dus
juist in dien tijd dat de lan·db·ouw«weinig werkkrachten noodig heeft.
ri Het is daardoor voor landarbeiders en kleine boeren mogelijk om in
ia den winter bij den boschaanleg een daggeld te verdienen. Belang-
5 rijke beb‘osschingswerken kunnen ten gevolge hebben, dat de sei-
llj zoenswerkloosheid afneemt of wel geheel verdwijnt. Hetzelfde is het _
geval met den arbeid, die geregeld in de -oudere bosschen voorkomt, 4
.4 zooals dunningen; en vellingen, die eveneens hoofdzakelijk in de
l wintermaanden plaats hebben en zoodoende werk verschaffen door
vellen en transport van hout. Gewoonlijk ontwikkelt zich in bosch-
b-ouwstreken langzamerhand een geregelde ho·uthandel en dikwijls
r ook houtverwerkende industrieën. Lan·d- en boschbouw oefenen zoo-
J1 doende eene gunstige wisselwerking op elkaar uit; zij vullen elkaar
in dit opzicht aan. Afgezien van de voordeeleni, die de· landlbouw-
l bedrijven in den vorm van houtvoorzieniing van de naburige bosch-
bedrijven genietien - waarover straks ­ is het voor de econo- _!
mische verhoudingen ten plattelande van groote beteeldeniis, wanneer
land- en boschbouw naast elkaar voorkomen.
De bebossching van woeste gro·nden w·ordt vooral in de laatste
ï Ti jaren dienstbaar gemaakt aan de ·bestrij·ding van werkloosheid. De
i aard van de werkzaamheden is zoodanig, dat deze zich zeer wel voor
I werkverschaffing leenen, Met de bewerkiing van den grond kunnen
niet alleen werklcoze landarbeid-ers te werk gesteld worden, doch
di l ook werkloozen uit de industrie, die met gronidwerk vertrouwd zijn.
B-ovendien is het mogelijk deze werkzaamhedlent gr-ootenldeels in
i taakwerk te doien uitvoeren. De prikkel t·ot werken wordt daardoor
j vergroot, terwijl de controle eenvoudiger wordt. '
‘ Het voornaamste doel van bebossching is de productie van hout.
Ons land is arm aan bosch en ·de houtproductie is dan ook bij lange
jl niet voldoende om in de bestaande behoefte te voorzien.
Zoo werd in 1920 bijna lä- millioen t·on (1000 K.G.) hout ingevoerd.
p tegenover een uitvoer van bijna 40000 ton. Op 1 Januari 1923 was
slechts 7.6% van de oppervlakte van Nederland m-et bosch bezet,
4 waarvan i· 55% uit naaldhout en 1* 8% uit opgaand loofhout be-
‘ stond; de rest bestaat uit hakhout en grien·den. Het opgaand loof- ­
en naaldhout besloeg slechts 4.8% van de opper-vlakte van Nederland
Hiervan k·omt ongeveer een vierde deel voor rekïerring van Noord
brabant. De bcboschte oppervlakte is in de laatste jaren afgenomen
j en vooral gedurende dien wereldoorlog is veel bosch opgeruimd.