HomeBeschouwingen betreffende de ontginning en de bebossching in de provincie NoordbrabantPagina 34

JPEG (Deze pagina), 942.76 KB

TIFF (Deze pagina), 6.59 MB

PDF (Volledig document), 49.75 MB

37
­ bate van die tot cultuurland. Zulks was ook het geval met evenbe-
doel·de werkzaamheden in de Peel. Aanvankelijk was daar de be-
bossching hoofdzaak, doch later werd de nadruk meer op den aan-
leg van bouw- en grasland en; ede stichting varn boer·derijen gelegd.
Als gevolg van deze veranderde zienswijze werden in Noordbrabant
vele gronden, die aanvankelijk in bosch waren gelegd, na v·elling
van den houtopstand weer voor andere vormen van bodemcultuur
bestemd. Zoo overtrof in de jaren 1918 tot en met 1920, zooals uit
den staat onder par. 1 van hoofdstuk II blijkt, de oppervlakte
gerooid bosch, welke tot bouw- en grasland en tuingrond werd ont-
gonnen, zelfs de oppervlakte woesten igrond, die beboscht werd,
l Onderwerpt men den staat ·onder par. 2 van dat hoofdstuk aan
` eene nadere beschouwing, dan valt het op, ·dat de totale oppervlakte
bosch in de vermelde gemeenten gedurende de jaren 1907 tot en .met
1923 met 167 H.A. is afgenomlen. Volgens de verslagen en Mededee-
lingen van de Directie van den Landbouw bedroeg de iboschopper-
vlakte in 1907 voor deze geheele pr·ovincie 61980 H.A. tegen 60633
H.A. in 1922. Voor deze provincie valt tot 1916 een toename waar te
nemen, de boschoppervlakte bedroeg toen 63741 H.A., doch daarna
daalt de oppervlakte bosch om in 1920 het laagste punt, 60543 H.A.
_? te bereiken.
Sindsdien is de boschoppervlakte wederom eenigszins in omvang
toegenomen, ·doch over de geheele periode 1907 tot en met 1922 valt
een teruggang te constateeren'. Deze teruggang moet hoofdzakelijk
aan de gevolgen van den wereldoorlog worden toegeschreven. Toen
de houtprijzen, in de laatste jaren van den oorlog en in de eerste
jaren daarna buitensporïig hoog waren, is mleniigeen er toe overge-
gaan om zijn boschbezit te verzilveren. Een groot d·eel van deze ont-
boschte gronden is niet ·weder herbeboscht.
Opvallend is, dat tijdens de vermindering van de boschoppervlakte
voor de geheele provincie het gemeentelijk boschbezit is toegenomen.
`l De gemeenten, welke op den staat van par. 2 van Hoofdstuk II .
staan vermeld, hadden, zooals uit bedoelden staat blijkt. in 1907
een boschbezit van 6690 H.A., terwijl deze oppervlakte in 1923
9524 H.A. bedroeg, alzoo een vkooruitgang van circa 42%. Deze toe-
name is ongetwijfeld een gevolg van de bebossching van woesten
gemeentegrond met renteloos voorschot van den Staat. In de periode
1907 tot en met 1923 werd eene oppervlakte van 2674 H.A. op deze
wijze beboscht.
De oppervlakte woesten domeingrond, die in Noordbrabant van
Staatswege is beboscht, is in vergelijking van wat in dit opzicht in
Gelderland ·en Drenthe geschiedt, slechts van geringe beteekienis;
de gronden in han·den van den Staat in de provincie Noordbrabant
zijn thans voor het grootste gedeelte in cultuur.