HomeBeschouwingen betreffende de ontginning en de bebossching in de provincie NoordbrabantPagina 21

JPEG (Deze pagina), 0.98 MB

TIFF (Deze pagina), 6.58 MB

PDF (Volledig document), 49.75 MB

·24
een drijfveer. De oprichting der Nederlandsche Heidemaatschappij .
in 1888 gaf een krachtigen stoot in de goede richting. In 1890 ver- E
scheen het rapport der Cornmissie, benoe·md door de Maatschappij ,
van Nijverheid over ,,Staat·s- en particuliere bemoeiing bij de o·nt- 5;
. ginning van woeste gr­ondlen." Deze Commissie stelde niet alleen
H het groote belang der Staatsbebo-ssching in ·het licht maar dr·ong
H ook aan op steun van den Staat aan Gemeenten; eveneens geschiedde ï
dit in een kort daarop gepubliceerd rapport van het Nederlandsch
Landlbouwcomité. l
Langzamerhand ebrak ·zich, ook bij de Regeering, de opvatting 1
I baan, dat een blijvend boschbezit een nationaal belang is. Aaxnvan
kelijk ging de Regeering alleen over tot bebossching van ·den: woesten i
grond, die reeds donmeinbezit was, en spoedig daarna ook tot uit- ;
breiding van het bezit door aankoop. In 1.890 werd een! aanvang l
gemaakt met de voorbereidende werkzaamheden voor de bebossching I
I van woesten domeingrond onder Chaam en Gilze, waarvan in 1893 I
V het eerste gedeelte beplant werd. In 1897 kwam de eerste aankoop ;
H van een uitgestrekt complex woesten grownd na`bij Kootwijk op de ‘
l Veluwe ter bebossching -van Staatswege tot stand. Sedert dien is de |
Regeering in deze richting krachtig blijven voortgaan.
_ Al moge de bovengenoemde Staathuishondkundige theorie in het
algemeen juist zijn, op het gebied va.n de boschcultuur i·s ·dit niet ]
V het geval. Omdat de bo-schbouw continuïteit eischt en het daarin {
j werkzame kapitaal slechts langzaam ro·uleert, eigent zich het bosch-
i bedrijf minder voor den particulier en komrt het als kleinbedrijf
niet tot zijn recht. De boschbouw wordt als van zelf in de richting
j van het grootbezit gedrongen 0.a. omdat ·de kosten van deskundig q
beheer, het uitvoeren van verbeteringen aan wegen, enz. omgeslagen ‘
over een groot bezit, veel minder drukkenld zijn dan bij eene geringe
oppervlakte. Het particulier bezit staat steeds aan vendeeling bloot,
wat te vroege vellingen ten gevolge heeft. Al deze redenen lmaiklen
het wenschelijk, dat een belangrijk deel van het boschbezit van een j
land in handen van den Staat of geineenaten is als zijnde dit blijvende
lichanïen, die het beste het pulblieke belang kunnen dienen en die l
[voor de noodige continuiteit in het bedrijf kunnen zorgen.
In 1904 kwam Minister De Marez Oyen·s bij Gedeputeerde Staten
van Noordbrabant, Gel·derland en Limburg met het plan om onder
bepaalde voorwaarden aan Gemeenten renltelooze voorschotten en 4
technische hulp voor de bebossching harer woeste gronden te ver- l
leenen. Dit voorstel vond ·overal krachtigen steun. Het Regeerings- .
I voorstel werd in 1907 ongewijzigd door ·de Staten-Generaal goedge-
keurd. De inhoud van het Regeeringsvoorstel was als volgt:
,,Iedere gemeente, die naar het oordeel van het Staatsboschbeheer ‘
,,eene voldoende uitgestrektheid voor bebossching geschikte gronden I
,,bezit, kan zich voor het verkrijgen van een renteloos voorschot wen-
!
1
1
s