HomeBeschouwingen betreffende de ontginning en de bebossching in de provincie NoordbrabantPagina 18

JPEG (Deze pagina), 0.95 MB

TIFF (Deze pagina), 6.53 MB

PDF (Volledig document), 49.75 MB

21
E alsook tusschen Oosterhout en Rijen. Leem is veelvuldig aanwezig
r in de lagere en middellage heidegronden; zeldzamer vindt ineen het
in de hooger gelegen gronden.
j De Brabantsche gronden zijn, hoewel kalkarm, in vergelijking
j met de overige zandgronden van ons land over het algemeen vrij
nrineraalrijk; vooral [geldt dit voor de lager gelegen gronden, Door
de fijnheid van het materiaal bezitt'en· zij eene groote watercapaciteit
en eene geringe d·oorlat·endhei·d. Be-ide eigenschappen werken on-
il gunstig samen door ·de vlakke ligging van Noordbrabant aen in
_ sommige streken bovendien door de slechte gelegenheid tot afwate-
§ ring in het natte jaargetijde, waardoor de afvoer van het overtollige
i hemelwater slechts langzaam plaats heeft. De Brabantsche gronden
5 kenmerken zich over het algemeen door kilheid, terwijl het moeilijk
ä ­is ze tot werkzaamheid te brengen. Heeft mlen dit laatste echter
4 bereikt, is het o.a. door doelmatige bewerking gelukt de korrel·struc­
r tuur, waartoe de bodem licht geneigd is te vervallen, te doen plaats
i maken voor kruimelstructuur, dan blijkt de Brabantsche grond bij
J bebouwing zéér dankbaar. Voor kalkbemesting is de grond zeer
i gevoelig; de nuttige werking van de kalk berust daarbij ongetwijfeld
voornamelijk op de gunstige phyrsische werking daarvan.
l Doordat de Brabantsche grond eene groote neiging tot dichtslib-
I ben vertoont hebben alle werkzaamheden, die het bodemoppervlak
{ los maken, veel succes. Bij de bebossching wordt hiervan vaak partij
‘ getrokken door oppervlakkige behakking of door overzanding van
den grond op plaatsen, waar de groei van den jongen aanplant of
van het jonge bosch tengevolge van bodemverdichting achterlijk is.
De ongunstige physische eigenschappen van den bodem doen zich
l vooral in de lager gelegen plaatsen gelden, hoewel de grond daar
E gewoonlijk rijker is gaan mineralen-; eerstgenoemde eigenschappen ge-
j ven echter op die plaatsen den d·oorslag. Zoo is het in de bosschen in
t Brabant, vooral in die, welke niet onder deskundige leiding zijn
l aangelegd, een gewoon verschijnsel, dat het bosch op de lager gele-
gen plekkenl, hoewel de lbodem dààr het rijkst is, tengevolge van d'en
ongunstigen physischen toestand kwijnt.
E Uit den aard der zaak zijn de meer laaggelegen grondeir aangewe-
ä zen voor ontginning tot bouw- en grasland, terwijl de h·ooge heide-
gronden en de stuifzanden voor bebossching in aanmerking komen.
Het spreekt echter wel vanzelf, dat ook de eerstbedoelde gr­onden
¤ na goede ontwatering, indien zij door hunne ligging of om andere
· redenen. niet voor den landbouw noodig zijn, voor boschaanleg zeer
i goed geschikt zijn; op dergelijke meer vruchtbare gronden zijn dan
ook van de Tboschcultuur de gunstigste uitkomsten te verwachten.
E Op de hooge heidegr·on«den 'bestaat de grond gewoonlijk uit een
dun laagje heidehumus, gevolgd door eene laag min of meer uitge-
I