HomeBeschouwingen betreffende de ontginning en de bebossching in de provincie NoordbrabantPagina 17

JPEG (Deze pagina), 0.96 MB

TIFF (Deze pagina), 6.53 MB

PDF (Volledig document), 49.75 MB

; 20
j liggen.de lagere deel stroomt thans de Domumel met zijne talrijke
zijriviertjes. i
Naarmate de diluviale tijd zijn einde naderde, verminderde de äi
watert-oevoe-r en de eertijds zoo breede stroomen trokken zich terug
i in smalle erosiegeulen; de dikwijls breede strooken vruchtbaren
j grond, voor een groot gedeelte bestaande uit groenland, die men
niet alleen langs de meer belangrijke rivieren ·doch ook langs vele
thans onaanzienlijke beekjes vindt, vormen, een overblijfsel van het E
breede stroonibed van de eertijds machtige stroomen. il
Terwijl de bodem in Noordbrabant uitsluitend uit Zuidelijk (prae­
glaciaal) diluvium bestaat, werd dit in het Noordelijk gedeelte van W i
ons land tijdens den ijstijd door het landijs overdekt, waardoor het
praeglaciale diluvium aldaar op de meeste plaatsen door Noordelijk j
l materiaal overdekt werd, dat door het landijs werd meegevoerd.
Van het gewone Noordbrabant-sche landschap wijkt de Peel in E
" haar uiterlijk sterk af en daarom dient hieromtrent nog het een f
en ander te worden medegedeeld.
. De Peel ligt op den Oostelijken hoogeren rug van Noordbrabant. I
Deze rug vertoont zelf echter weer een dalvorm. Het diluviale zand
onder het velen in de Peel ligt hooger dan dat ten O. en W. van de
Peel, waaruit volgt, dat de stroomsnelheid en ook de erosie ter
j plaatse niet zoo groot is geweest als in het Dommelbekken en in I
j, het Maasdal. Het 1noe·t dan ook worden betwijfeld of er wel ooit een {
Q constante Maasarm door de Peel heeft gestroomd. In dat geval toch ‘
i zou een geleidelijke afhelling naar het N.W. zijn waar te nemen en
zou de afwatering ook thans nog door het midden; van de Peel moe-
l ten plaats vinden. De veenvorming wijst echter op eene gebrekkige
afwatering en daarom moet het ontstaan der Peel anders worden F
verklaard. j
Zooals boven .reeds werd vermeld, was de waterstand in de laagten
niet altijd even hoog, dus ook niet in het Dommelbekkien ten W. en l
in het Maasdal ten O. van ·de Peel. Zoo waren er tijden, dat de
watermassa’s uitsluitend door deze laagten stroomden, doch ook
tijden, dat zij een geheel vormden en ook de Peel overstroomden. g
Door die overstroomingen zijn waarschijnlijk aan de ran·den van
het Oostelijk en Westelijk dal ophoogingen z.g. oeverdamqnen ge- i
vormd, welke de afwatering van het Peelgebied zeer hebben be-
moeilijkt. Daardoor ontstond in de aldus gevormde kom een moeras,
waarin zich het thans aanwezige veen heeft kunnen vormqen. ¤
Over het algemeen kenmerken zich de Brabantsche zandgronden ,
door fijnkorreligheid; op veel plaatsen is zulks in hooge mate het i
geval, terwijl slechts weinig grofkorrelig zand wordt aangetroffen.
Grint wordt slechts hier en daar gevonden. Een vrij uitgestrekte K
streek, waar grinthoudend zand vrij algemeen is, vindt men iten Zui- T
den van Schayk, Reek en Escharen; ook onder Mill komt grint voor,
r I