HomeBeschouwingen betreffende de ontginning en de bebossching in de provincie NoordbrabantPagina 16

JPEG (Deze pagina), 910.86 KB

TIFF (Deze pagina), 6.56 MB

PDF (Volledig document), 49.75 MB

j 19%
l
r
Hoofdstuk III.
j DE HOEDANIGHEID DER WOESTE GRONDEN
` VAN NOORDBRABANT.
De bodem van Noordbrabantbestaat uit Zuidelijk diluvium. Eer-
, tij·ds was het Westelijke zen Noordelijke gedeelte van ons land een
droog geworden zeebodem en bestond alleen het meest Zuidelijke
en Oostelijke gedeelte, waar wij thans Zuid Limburg, de Achterhoek `
en het Oostelijke gedeelte van Overijssel aantreffen, uit vastland.
{ In de zeer regenrijke periode der aarde tijdens het laatste gedeelte
§ van het Tertiair en die zich herhaalde gedurende den ijstijd, werden
l d­o0r den Rijn, de Maas en de Schelde geweldige massa’s puin, zand
en klei, afkomstig van de Ar-dennlen en van de gebergten aan weers-
E kanten; van den Rijn meegevoerd en in ons land als een reusachtige
. zand- en grintkegel neergestort. Het grootste gedeelte van ons land
is dus door delta vorming ontstaan.
j Doordat de hoeveelheid water en daarmede de stroomsnelheid zeer
Q afwisselde, veranderde zoowel stroomrichting als het materiaal, dat
door de rivieren werd achter.gelaten gedurig; van eene eigenlijke
j bedding was geen sprake. Dr. Lorie, de onlangs overleden, bekende
geoloog, sprak dan ook van de ,,Wilde wateren", die den bodem van
j ons land hebben opgebouwd.
ä ;Naarmate de stroomsnelheid verminderde, bleven eerst de grovere
ë steenen, daarna het grint ·en vervolgens zand, leem en klei achter.
; Ook steen­en van grootere afmetingen werden meegevoerd en hier
Q gedeponeerd. Vermoedelijk zijn deze door ijsblokken getransporteerd,
j die met het water meedreven. De fijnere slibdeeltjes bezonken alleen
E op plaatsen waar het water tot stilstand kwam, b.v. in kommen waar
2 zich meertjes hadden gevormd of ook wel in de vroegere bedding
§ van een rivier, die door de een. of andere oorzaak in onbruik was
l geraakt. Zij vormdgen daar de leembanken, die thans het materiaal
voor vele Noordbrabantsche steenlbakke·rijen lever·en.
i Niet altijd wa·s de waterstand dezelfde; in het voorjaar was deze
j door het smelten van het ijs en de sneeuw het grootst om in den
ë zomer geleidelijk te verminderen. De kracht van het water was
j echter wel zoo groot, dat het eene erodeerende werking kon uitoefe-
_ nen. In de aanvanke·lijk neergelegde grint en zandma·ssa’s werden
1 bepaal·de beddingen uitgeschuurd, terwijl daarentegen op andere
. plaatsen slib werd afgezet. In het midden van Brabant was de erosie
f sterker en. hierdoor kan de eenuigszins hoogere ligging van het Oosten
¢ en Westen van Noordbrabant worden verklaard. Door het tusschen-
ï
«

i
J