HomeDieren-ZondagPagina 17

JPEG (Deze pagina), 779.47 KB

TIFF (Deze pagina), 5.17 MB

PDF (Volledig document), 19.97 MB

17
kloven een toevluchtsoord voor de klipdassen. Daar hebt
p gij de zee, groot en wijd van omvang, waarin is een ge-
wemel, ontelbaar, dieren klein en groot. Daar trekken schepen
ï heen en weder, de Leviathan, die gij geformeerd hebt om
er mede te spelen. Zij allen wachten op U, dat Gij hunne
· spijs geeft te rechter tijd. Gij geeft hun, zij nemen tot zich.
Gij opent Uwe hand, zij worden van het goede verzadigd".
K In den 147sten Psalm wordt Israël opgeroepen om voor
den Heer een lofzang aan te heffen en op den cither te
spelen tot eer van zijnen God, van Hem, ,,die aan de bergen
·. gras doet uitspruiten, aan het vee zijne spijze geeft, aan de
" jonge raven die er om roepen".
I En in Psalm 36 verheft de dichter Gods goedertierenheid,
die tot in de hemelen is; Zijn waarheid die is tot de bovenste
wolken toe; Zijn gerechtigheid die is als de bergen Gods
en Zijn oordeelen die een groote afgrond zijn; om in één
adem daarop te laten volgen: ,,Heer, gij behoudt menschen
en beestenl" (vs. 7).
_ Daar is in den Bijbel, in de boeken des O. T., ook een
` geschrift dat, als geschiedenis beschouwd, zeker niet ver-
_ heffend is van inhoud, maar, als gelijkenis verstaan, een
plaats zou kunnen innemen in de rij der Nieuu»·Testamen­
tische boeken. Ik bedoel het boek jona. Daarin wordt ver-
haald van een profeet die, omdat God de stad Ninivé, aan
wie hij het oordeel had moeten prediken, maar die zich be-
keerde, spaarde, in toorn ontsteekt. Maar de lankmoedige _
Heer, Die ook geduld oefent met Zijn onbillijk toornenden
profeet, brengt diens opstandig gemoed tot bedaren door
‘ de vraag: ,,Ik zou die groote stad Ninivé niet verschoonen,
· waar veel meer dan honderd twintigduizend menschen in
zijn, die geen onderscheid weten tusschen hunne rechterhand
··~< en hunne linkerhand ?" En dan volgen die woordjes, waarmeê
l het boek jona abrupt eindigt, maar die, in hun kortheid zulk
, een aanbiddelijke openbaring zijn van de gedachten die God
denkt over de dieren; deze drie woordjes : ,,daartoe veel vee ?"
‘ In een tijd van groote droogte en zwaren hongersnood
bidt joël tot God om uitkomst. En in dat gebed doet hij
mede een beroep op ’s Heeren ontferming over de dieren:
,,0, hoe zucht het veel De runderkudden zijn bedwelmd,