HomeDieren-ZondagPagina 16

JPEG (Deze pagina), 766.19 KB

TIFF (Deze pagina), 5.17 MB

PDF (Volledig document), 19.97 MB

16
en het was hem als een dochter" (II Samuel 12 vs. 3).
In het Spreukenboek wordt van den rechtvaardige gezegd j
dat hij kent, d.w.z. liefheeft, het leven zijner beesten (Hfst.
12 : 10). ï
Ook de dichter der jobeïde bezingt in verheven taal Gods
zorg voor de dieren. Ziehier een fragment uit het 39ste Hfst.,
volgens de Leidsche vertaling, die ons de schoonheid van
W dit stuk Oud Israëlietische letterkunde toegankelijk maakt: ‘ï
,,Kunt gij voor de leeuwin buit vangen, den honger der welpen
stillen, wanneer zij wegduiken in de holen, in het struikgewas
op de loer liggen? j .
Wie geeft der raaf hare prooi, wanneer hare jongen tot °
God roepen en zonder voedsel rondfladderen? I
Wie heeft den woudezel vrijgelaten, wie zijn banden los-
; gemaakt, van hem, wien Ik de woestijn tot woning, de steppe
tot verblijfplaats aangewezen heb? Hij belacht het stadsgewoel,
j luistert niet naar het geroep van den drijver, maar door-
snuffelt de bergen als zijne weide, en zoekt er allerlei groen
r kruid op.
Is het de vrucht van uw doorzicht dat de havik vliegt, `
de vleugels naar het zuiden uitspreidt? _ _
Is het op uw last dat de arend zulk een vlucht neemt,
dat hij zijn nest in de hoogte bouwt? Op een rots woont
en nestelt hij; op rotsklip en bergtop".
En dan de Psalmen!
In den 84sten Psalm juicht de zanger: ,,Zelfs vindt de
musch een huis en de zwaluw een nest voor zich, waar zij
hare jongen legt, bij uwe altaren, Heer der heirscharen, mijn
Koning en mijn God!" ‘
De 104de Psalm, door Spurgeon treffend ,,Eens dichters ·
lezing van Genesis I" genoemd, prijst God die ;;de bronnen
uitzendt in de dalen; tusschen bergen vloeien zij daarheen; ij
zij drenken al het gedierte des velds, de woudezels lesschen
hun dorst; daarbij wonen de vogelen des hemels, uit de j
twijgen laten zij zich hooren. Hij doet het gras uitspruiten j
voor het vee. Verzadigd worden de boomen des Heeren, ‘
de cederen van den Libanon, door Hem geplant, waarin
de vogelen nestelen, de ooievaar, welks woning de cypressen
zijn; de hooge bergen zijn voor de steenbokken, de rots-