HomeDieren-ZondagPagina 15

JPEG (Deze pagina), 820.82 KB

TIFF (Deze pagina), 5.17 MB

PDF (Volledig document), 19.97 MB

mensch, die zijn konings-schepter misbruikt tot een stok, een
knoet, om het onschuldige, gevoelige dier te ranselen, zich- O
zelf niet maar verlaagt tot een dier, maar ver, vèr beneden
den hoogen rang van het dier zinkt, tot het lage, diepe peil ‘ _
van een beest.
Ook het dier is: een schepsel Gods, door Hem gezegend.
Is het dan wonder dat het werk der dieren­bescherming in de
‘ Schrift ondubbelzinnig wordt voorgesteld als Gods eigen werk?
Q " Men hoort nog al eens spreken over dien wreeden, bloed-
‘ dorstigen God des Ouden Testaments, zóó verschillend van
6 den Vader in de hemelen van wien het Nieuwe Testament
” getuigt.»Maar de onwaarde én het onwaardige dier tegen-
stelling blijkt aanstonds, als wij opmerken dat in het Oude
Testament voorschriften aangaande de Gode-behagelijke
dierenbehandeling aangetroffen worden, welke onloochenbaar
bewijzen dat Israëls God ook voor zijn redelooze schepselen
‘ barmhartig is en ontfermend.
In het 4de gebod van de Wet des Heeren wordt den
mensch voorgeschreven dat hij, tot zijn bestwil, na zes
dagen gearbeid te hebben, op den zevenden dag moet rusten.
God gunt hem telkens ·· een dag van verademing. Maar God
· denkt bij dien maatregel ook aan het dier. Het rund en de
ezel, deelt in de geschonken weldaad. Op den Sabbat zult
gg geen werk doen, gij, ..... noch uw vee (Ex. 20: 10).
Hoe aandoenlijk-teeder is deze bepaling: ,,Wanneer voor
4 uw aangezicht een vogelnest op den weg voorkomt, in eenigen
boom of op de aarde, met jongen of eieren, zoo zult gij de
moeder met de jongen niet nemen" (Deut. 22:6).
En wederom staat er geschreven: ,,Eenen os zult gij niet
· muilbanden als hij dorscht" (Deut 25 :4).
David heeft gezondigd en de strenge profeet Nathan wordt
door den Heer tot den koning gezonden om hem zijn over-
Q treding onder ’t oog te brengen. Maar hoe ontroerend­lieflijk
,· teekent dan die Oud-Testamentische boetprediker in de door
E hem gebruikte gelijkenis, de gehechtheid van dien armen
man aan en diens zorg voor zijn ,,éénig klein ooilam, dat hij
gekocht had, en ghad het gevoed dat het groot geworden
was bij hem en bij zijn kinderen te gelijk: het at van zijn
bete en dronk van zijn beker, en sliep in zijnen schoot,