HomeLandhuishoudkundige school te GroningenPagina 7

JPEG (Deze pagina), 719.57 KB

TIFF (Deze pagina), 4.68 MB

PDF (Volledig document), 13.22 MB

5
Wat bij getoond heeft voor den werkdadigen landbouw te
kunnen doen , geeft mü die overtuiging niet.
Voegt het mij niet mijn eigen onderwijs te verheffen, wel
mag en moet ik wraken de aanranding van de verdiensten van
vele hier gevormde leerlingen. De uitkomsten van dit onder-
wijs zijn, zegt S., over het algemeen al heel middelmatig,
zoo niet slecht geweest. Op de hem zoo eigene beschaafde
wijze voegt htj er bij »Eenoog" (dat zal ik wel zijn) »is hier
koning onder de blinden. Omdat het »eenig onderwijs, dat,
buiten het gebeuzel over den landbouw op de Akademiën en
buiten een drietal in ’t niet teruggezonken bijzondere scholen,
hier te lande gegeven is, aan de hier bedoelde inrichting
gezocht moet worden, heeft men van 1842 tot 1867 5*22 namen
van leerlingen kunnen opnoemen; maar nergens ziet men op
onzen landbouw den invloed van de daar gevormde mannen."
Ik zal natuurlük de verdediging van alle onze vroegere leer-
lingen niet op mij nemen; maar als, om enkelen te noemen, ,
mannen als C. J. GEEHTSEMA, landbouwer te Zuidbroek in de l
prov. Groningen en lid van de Eerste Kamer der Staten­Gene­‘ j
raal, H. J. VAN GENNEP, landbouwer te Zevenhuizen (Z.­Holland),
R. STUFFKEN, inspecteur voor het boschwezen in Ned. Indië,
G. J. M. JONGKINDT GONINCK, directeur van de maatschappij van
weldadigheid, H. M. HARTOG, landbouwer te Barneveld , J. W.
H. CORDES, ambtenaar bij het boschwezen in Ned. Indië, G.
SGHILTHUIS, als gelijksoortig ambtenaar thans met verlof in
Nederland, en in 1868 mede belast met het afnemen van het
examen in den kolonialen landbouw van de leerlingen der
school te Groningen, W. J. D. VAN ITERSON, vroeger land-
bouwer in Noord-Braband en thans leeraar aan de landhuis-
houdkundige school, J. M. KAKEBEEKE, landbouwer bij Goes, .
alle personen, die ook door goede uitgegeven geschriften of
‘ bekroonde prijsverhandelingen (5 bij de Ned. maatschappij van
nijverheid en even zooveel bij de koninklijke landbouw-vereeni­
ging) veel tot bevordering van den landbouw medegewerkt
hebben, verklaren veel aan het hier -­ niet alleen door mij-
gegeven onderrigt verschuldigd te zijn, meen ik het Neder-
landsch publiek tot deze personen te mogen verwijzen. In
verschillende oorden des lands gevestigd, kunnen zij de zaak
goed beoordeelen. Wü hechten aan het gevoelen van zulke
menschen, die met de Nederlandsche toestanden wèl bekend
zijn, veel hooger waarde dan aan hetgeen de heer S. ons