HomeLandhuishoudkundige school te GroningenPagina 6

JPEG (Deze pagina), 744.36 KB

TIFF (Deze pagina), 4.68 MB

PDF (Volledig document), 13.22 MB

4
en, naar ik vertrouw, ook werkelük gedaan heb. Mijne land-
genooten kunnen zelve over mijn werk een oordeel vellen,
o. a. uit een aantal stukken in vele jaargangen van het Tijd-
sc/zrüt ter berorderiozg van Nijverheid geplaatst; uit de door
mij uitgegevene Land/zuislzoudkzmdige Flora en de Grondbagin-
selcn van den wetensc/zappelijkmz landbouw.
De heer STARING spreekt (blz. 186) , op de hem eigene he-
schaafde wijze, van het >> gebeuzel over den landbouw op de
Akademie". In plaats van zoo uit de hoogte van gebeusel te
spreken, had hij beter gedaan, mij aan te wijzen, welke fouten
' cr zgn in laatstgenoemd werk, dat, eerst als handschrift, later
gedrukt, de grondslag was van mijn mondeling onderrigt als
Akademisch leeraar in de landhuishoudkunde.
ik heb mij »verwaardigd" (zegt S. blz. 186), uitspraak te
doen in zake van landbouw­onderwijs. lk geloof niet, dat het
woord verwaardigd op mü toepasselijk is. In eenvoudigheid
heb ik gemeend, dat het mijn pligt was aan te wijzen, wat
naar mün gevoelen verkeerd was in zoovele, als onfeilbare
` uitspraken voorgedragene uitspraken over het onderwijs in den
landbouw, over dë wetenschap, enz. Als ik de overtuiging
heb, dat iets verkeerd is, mag ik van het uitspreken dier
overtuiging mij niet laten terughouden door laffe vrees voor
de op vrij wat hooger toon, dan de mijne gestelde uitspraken
van iemand, wiens doel het is, zooals algemeen bekend is,
>>Groningen dood te maken ," ten einde elders eene nieuwe
landbouw·school op te rigten. ­- Of nu echter deze, gedurende
verscheidene jaren, niettegenstaande de heer STARING zelf lid
was van het bestuur der school, stelselmatig, eerst in het
geheim, nu meer in het openbaar, volgehouden onderdrukking
dezer instelling tot bevordering van den landbouw medege-
werkt heeft, mogen anderen beoordeelen 1).
De heer STARING schrijft, dat men bij de beoordeeling van ­
het landbouw­onderwijs eerst moet vragen of de onderwijzer
werkelijk°weet, hoe het onderwijs moet gegeven worden.
Zonde men, indien zulk eene vraag tot den heer S. zelven
gerigt werd , misschien een bevredigend antwoord erlangen ? ­­­
') Ook in een zeer onlangs uitgekomen belangrijk werkje van
den heer J. B. SNELLEN, »0p7zg#ïiz_q van het TienrZregt," Purmerende
1868, wordt gesproken van het vstelselmatig tegenwerken van de
uitbreiding en den bloei der »Groninger 1andb0uwsoho01" (bl. 5).