HomeDe Nederlandsche boschbouw en de wereldhoutvoorziening.Pagina 6

JPEG (Deze pagina), 1.26 MB

TIFF (Deze pagina), 7.78 MB

PDF (Volledig document), 34.45 MB

li =

{ 508 DE NEDERLANDSCHE Boscmsoow EN DE WERELDHOUTVOORZIENING. ~
5 van Lavoisier, waarin wordt vermeld, dat in het jaar 1778 in Parijs,
; dat toen pl.m. 600.000 inwoners telde, 700.000 voer houtskool '
?· werd aangevoerd.
De hoeveelheden hout, die in Europa voor allerlei doeleinden uit 2
de bosschen werden gehaald, waren fabelachtig. Het hout vormde
E- de grondstof voor bijna alle gebruiksvoorwerpen en werktuigen. Het
was de voornaamste brandstof zoowel in huis, als in de industrie.
Geen wonder dan ook, dat plaatselijk ernstig gevaar voor houtnood g
je ontstond. In de Oberpfalz dreigde omstreeks 1750 houtgebrek, in äï
ëi houtarme landen reeds eerder. Bij den mijnbouw in Spanje werd *
iï reeds in de 16e eeuw gebrek aan hout gevoeld en in de eerste helft Y
der 18e eeuw was het houtgebrek in Engeland zóó nijpend, dat men ‘
ïé hout moest gaan invoeren. Tegen het eind van de 18e eeuw begon
gg men in Europa allerwege een tekort aan hout te vreezen ; de bos- ·
schen, die eertijds onuitputtelijk schenen, lieten de menschen in den ’
steek. Als natuurlijk gevolg werd uit deze vrees voor houtgebrek
Ef eene verhoogde belangstelling in de bosschen geboren. Bij onze Oos- " , ‘ _
telijke naburen ontwikkelde zich de wetenschappelijke boschbouw,
?j die tot taak had, de vernielde bosschen zooveel mogelijkte herstellen
j, en in de plaats van de verwoeste bosschen nieuwe in het leven I
E; te roepen. ~
j Dit vraagstuk was niet gemakkelijk op te lossen, want door de
V onoordeelkundige wijze, waarop steeds met de bosschen was
, omgesprongen, was de vruchtbaarheid van den bodem sterk ver- 5
minderd. Wat gedurende verscheidene menschengeslachten was I
I vernield en verwaarloosd, kon niet in een enkel oogenblik hersteld
ç worden, zoo algeheel herstel al mogelijk was. Bovendien vereischt ‘
het nu eenmaal vele tientallen van jaren, eer het jonge boompje,
nadat het zich uit het zaad heeft ontwikkeld, is uitgegroeid tot
een zwaren boom. In plaats van de vroegere loofhoutbosschen
trad veelal het naaldhout, want de grond was maar al te vaak te
zeer verarmd voor de veeleischende eiken.
Ongetwijfeld onder den indruk van het groote houttekort, dat
j zich bij onze oostelijke naburen in de 2de helft der achttiende eeuw
g begon te doen gevoelen, alsook in Engeland, waar zich de fabrieks-
nijverheid in dien tijd enorm ontwikkelde, ontstond in het begin
van de roe eeuw ook hier meer belangstelling voor den boschbouw.
i Men begon met het aanleggen van bosch op woesten grond en 4
l wel in den vorm van hakhoutbosoh of, en in geleidelijk toenemende
mate, door den aanleg van grove-dennenbosschen. Doordat op de "
van huis uit betere gronden geleidelijk beslag werd gelegd door den
g landbouw, werd de boschcultuur steeds meer tot de arme zandgron­
I den teruggedrongen. De weinig eischen aan den bodem stellende ä
{ grove den, bleek het op die armere gronden echter goed te doen; E
{ de aanleg was hoogst eenvoudig en zoo veroverde deze houtsoort j V
[ gaandeweg meer terrein. Terwijl de loofhout bosschen in oppervlakte ' `
i
j .
l