HomeOverzicht van den Landbouw van NederlandPagina 13

JPEG (Deze pagina), 943.19 KB

TIFF (Deze pagina), 6.51 MB

PDF (Volledig document), 54.54 MB

, A
j [ ;
E wonsrn enonnnn. ll
{ sehaapsweiden, en, in bergachtige streken, geitenweiden,
altijd van kale vlakten vergezeld gaan, en dat overal waar
l _men dien vloek van kaalheid, met hare gevolgen, regenloos­
heid en onvruchtbaarheid, bestrijden wil, het weiden van vee
op gemeene weiden, van sehapen in de eerste plaats, moet
_ worden tegengegaan. Waar, zooals in Overijssel, in het Zut-
phensehe, in het Gooiland en elders, de vroeger in ’t gemeen
‘ bezeten heidevelden verdeeld en het eigendom van bijzon-
dere personen geworden zijn, vindt men geene sehaapskud­
1 den meer; maar daarentegen houtgewas in overvloed, en ‘
veel daarvan dat door geene mensehenhanden is aangelegd.
Onze heideschapen verminderen, en het is te hopen dat die
vermindering nog vrij wat spoediger voort zal gaan; maar
dat daarentegen het heidesehaap vervangen worde door het _
weideschaap, zoodat het geheel aantal onzer schapen blijve
aangroeien, gelijk het in de laatste tijden ook merkelük
vermeerderd is. n V
Ook gebruikt men de woeste heidevelden tot het Win-
nen van dunne heidezoden, van plaggen, of, wanneer zij
op groengrond geslagen worden, van sehollen, om die,
` tot het opvangen van den mest, onder het vee te strooien
en alzoo stroo te besparen. Dit, op vele plaatsen nog
vastgeworteld gebruik, vordert genoegzaam evenveel woes-
ten grond als er akkerland voorhanden is, en moet met
kracht tegengegaan worden, nu men geleerd heeft om door
‘ Q ’ de hontteelt vrij wat meer inkomsten van de heidevelden te
·i trekken, dan zij als plaggengrond ooit kunnen opleveren. r
" Hoe die plaggen- en sehollenboeren het dienen aan te leg- i
gen, nu men ze den woesten grond ontneemt, moeten ze j
eg maar gaan leeren in Noordbrabant en het land van Waas, l
waar men, op eene11 even zandigen bodem, vrij wat beter
I gewassen teelt dan bij de p1aggenboe1·en, zonder ooit de <
plaggenzioht, het gereedschap namelük waarmede men die
plaggen of sehollen maait of slaat, te hebben gekend.
ig ä