HomeOnze belangrijkste stikstof-hulpmeststoffenPagina 23

JPEG (Deze pagina), 970.89 KB

TIFF (Deze pagina), 7.58 MB

PDF (Volledig document), 32.48 MB

i i
Il «
- 21 ­­
hoeveelheden zijn De bedoeling van het hiervolgende is dan ook 2
hem op dien weg te helpen.
Zooals we reeds in de inleiding zagen, moet de plant met haar
wortels al de benoodigde minerale bestanddeelen uit den bodem
halen. Hoe die stoffen daarin komen, doet natuurlijk niets ter zake.
Wat nu de stikstof betreft, kunnen we de volgende indeeling maken :
1. De hoeveelheid, die de bodem van nature bezit.
2. De hoeveelheid, die van vorige bemestingen is overgebleven.
3. De hoeveelheid, die nog aangebracht moet worden, om een
flinken oogst te kunnen verwachten.

Voor een gunstige ontwikkeling heeft iedere plant een bepaalde
hoeveelheid van de verschillende onontbeerlijke elementen noodig;
J kennen we dus die hoeveelheid en weten we bij benadering hoeveel
de plant kan opnemen uit de onder 1. en 2. genoemde aanwezige
voorraden, dan kunnen we berekenen hoeveel we nog in den vorm
van mest moeten toevoegen. De hoeveelheid stikstof, die een gewas
per H.A. noodig heeft, kunnen we berekenen uit de grootte van den
oogst en haar scheikundige samenstelling. Voor beide zijn gemiddelden
te vinden in de z. g. WoLFi=’sche tabellen, welke men ook afdedrukt
vindt in den STARING’S almanak. Nemen we bijv. een tarweoogst aan
van 55 H.L. zaad en 6000 K.G. stroo, dan vinden we, dat daarin
aanwezig is : l°. in het graan, wegende ong. 55 >< 76 : j 4000 K.G., en
bevattende per 1000 K.G. 19 K.G. stikstof, 4 >< 19 = 76 K G. stikstof.
2°. In het stroo, zijnde 6000 K.G. en bevattende 6 K.G. stikstof per
1000, 6 X 6 = 36 K.G. In de geheele oogst is dus aanwezig 76 +
36 >< 112 K.C. stikstof. De hoeveelheid stikstof, die van een vorige
bemesting is overgebleven, hangt natuurlijk geheel af van de voor-
vrucht en de bemesting, welke dat gewas gekregen heeft. Laat ons
aannemen, dat het vorig jaar op onzen tarweakker bieten verbouwd
werden, bemest met stalmest, dan kan men daaruit weer berekenen,
il hoeveel stikstof met den mest werd toegevoerd (meestal heeft men in
zoo’n geval met een voorraadsbemesting te doen) en hoeveel er door
het gewas weer is uitgehaald; het verschil geeft dan de nog aan-
wezige hoeveelheid. Laat ons aannemen, dat van de vorige bemesting
nog 20 K.G. aanwezig is. Nu moeten we nog weten, hoeveel N. de _
t