HomeHet persoonlik kontakt tussen leraar en leerlingPagina 11

JPEG (Deze pagina), 0.97 MB

TIFF (Deze pagina), 6.80 MB

PDF (Volledig document), 17.01 MB

9
dat iet of wat ligt buiten ’t verband van de dingen waarover
ik nu spreek. Maar toch ook weer niet helemaal.
jj Er was iets gebeurd - wat, weet ik niet meer: want och,
in wezen zijn die dingen toch bijna nooit ernstig; ik altans
i kan z·e in dat licht zelden zien en helemaal niet onthouden.
i Er was verdenking tegen een paar jongens; ik werd er bij- `
“ gehaald, on·dervroeg, waarop één van de verdachten zei: ,,Ik
heb ’t niet gedaan; op m’n pa·dvinderswoord." Ik keek de
jongen aan en zei: ,,Dan hoef ik jou verder niet te vragen; dan
is die zaak natuurlik afgedaan tussen jou en mij." ,,Ja maar,
voor mij niet," zei de betrokken leraar. Toen dacht ik bij
mezelf: ,,Man, hoe kun je nu zo- iets doms zeggen, nu is wat
jij zegt, tienmaal erger dan al dat, in jouw oog erge, dat die
jongens hebben uitgevoerd? En dat heb ik hem onder vier
ogen natuurlik ook gezegd. En als vaststaande aangenomen
dat die jongen niet loog.
Als in mijn herinnering komen de dingen, die ik met deze
docent beleefd heb, dan horen die voor mij allemaal thuis in
de rubriek, die ik etiquetteerde met het opschrift: ,,«de dingen
ongeproportionneerd hevig vin·d·en". lin mezelf en anderen zou
ik wel deze raad kunnen en willen geven: We moesten al die
dingen van kinderen en met kinderen kunnen afdoen met
·een goedmoedige ironie. Die raad geef ik ook inderdaad
dikwels aan jonge leraren. Tegen een goedmoedige ironie
leggen alle kinderen het af. Maar niet sarkasties zijn, dat
wondt, ja doodt zelfs. Ironie is de redding uit menige lastige
situatie.
Maar nu kom ik aanstonds met een bekentenis, een zeer
persoonlik·e bekent-enis. Hier, in dit milieu en in genoegelike
avondstemming, redeneer ik als een wijze, als één, die weet hoe
’t moet. Maar in de werkelikheid kan ik geweldig uit 1n’n slof
schieten en echt nijdig zijn. Dat is een kwestie van tempera-
‘ ment. En m-eestal heb ik daar dan achteraf wel spijt van. Niet,
omdat ik dat nijdig worden op zichz·elf zo te veroordel­e.n vind,
` maar omdat ik altijd dingen zeg, die ik, achteraf beschouwd,
liever niet gezegd wou hebben. Soms ook zeg ik wel. eens iets
zo kras, dat ik m’n verontschuldiging moet gaan aanbieden.
Ja, waarde vrienden, ’t is beroerd, maar dat moet. En als
, je dat krasse ding in ’t publiek gezegd hebt, dan moet je ’t
` ook in ’t publiek herroepen. En dan moeten je daarbij alle
farizese gedachten vreemd zijn. Ik bedoel gedachten als deze:
’t boetekleed siert de man of: ’t kan mijn gezag ten slotte
nog ten goede komen ook, want ’t zal een flinke indruk