HomeHet persoonlik kontakt tussen leraar en leerlingPagina 10

JPEG (Deze pagina), 0.99 MB

TIFF (Deze pagina), 6.80 MB

PDF (Volledig document), 17.01 MB

I 8
ook zorgvuldig omgaan. Niet iedere leraar is ’n pedagoog.
Hoeft dat ook niet te zij·n, naar mijn mening. Dikwels ook
prolesteer ik tegen het misbruik van -dat woord. Als mensen Ij
tegen mij zeggen: ,,Maar jullie, als pedagogen..." dan ant-
woord ik en zeg: ,,Zeg liever, jullie, als leraren; pedagoog is g
voor mij een begrip waar de gratie Gods aan verbonden is. ‘
Of ik een pedagoog ben weet God, en misschien dat de toe- ”
komst h·et aan stervelingen zal bekend maken. Voorlopig houd
ik er mij maar aan, dat meneer X leraar is en ik rector."
Maar nu aanstonds al weer een aanleiding tot misverstand
· wegnemen. Ik heb daareven wel gezegd dat iemand., die
ber·e­id is tot ‘de introspeklie bij zichzelf, ’t w·el afleert die
ondeugden bij anderen zo erg te vinden. Daarmede heb ik
niet bedoeld propaganda t=e maken voor een slappe reaktie
‘ op die ondeugden. Ik heb ook zeker niet bedoeld te zeggen,
I dat ze niet gestraft moeten worden, als ze voorkomen. Daar-
I ov·er heb ik het niet en dat is ook niet aan de orde. Ik zeg
I alleen dit: dat je de dingen moet willen zien in hun ware
I proportie, -dat je -de dingen moet wille-n zien zoals ze zijn.
, Ja, want je hebt dooenten, die kunnen de dingen zo on-
I geproportionneerd h·evig vinden.
Ik denk aan een leraar, die zei: ,,Di·e j·ongen heeft me
I beledigd." ,,Dat kan niet" z·ei ik. ,,U, een man van 35 jaar,
I. kunt niet beledigd worden door ·een 15­ja.rige jongen. Beledigd
I kun je alleen worden door je ebenbürtigen. Die jongen kan
, brutaal tegen u geweest zijn - dat neem ik dadelik aan.
I Maar ·daarmee h-oudt ’t -dan ook op."
I . Ik denk aan een ander geval. Er kwam eens een opgewonden
I leraar bij me, en hij zei: ,,Drie jongens heb ik er uit gestuurd,
I want, weet u, wat die vlegels doen, ze ,,zuigen". Nu bleek
I dat de -­ wellicht teehniese, maar ’t was mij toen onbekend -
l term te zijn voor het begrip: aldoor treiterend vragen of praten,
I . zon-der dat men vat op d·e prater kan krijgen, omdat hij geen ·
strafbare dingen zegt, wel kwasi-onschuldig, onn-odige vragen
u doet. ,,Di·e drie jongens zijn altijd aan ’t zuigen, iedere les `
weer." ,,W·e·lneen," zeg ik, ,,dat verbeeldt u u." ,,Nou," hij
I weer, ,,U weet niet hoe lastig ze zijn." ,,O," ik daarop, ,,dat
ontken ik ni·et. En evenmin o-ntken ik, dat ­die en die gestraft
I moet worden en behoorlik ook. Want ’t is nu al de derde I
I keer in één week, dat ·een docent zich bij mij over hem komt `
I beklagen. Maar u moet ’t voor uzelf niet erger maken dan
I het is: een g·ewon·e j·onge.nslastigheid."
I En van diezelfde docent herinner ik me een ander geval,
1
I
I . "
I
I
A