HomeIs het rendabel grasland met stikstof te bemesten?Pagina 19

JPEG (Deze pagina), 1.03 MB

TIFF (Deze pagina), 7.06 MB

PDF (Volledig document), 23.98 MB

. ïi
? l
z
t 20 j
~‘»
0 f38.40 en het andere perce·el bracht op per H..A. 660 maal 3 cent= l
j fl9.80 of fl8.6O minder. ' E
In totaal heeft op dit proefveld de stikstofbemesting dus een j
winst geleverd van min ste n s f43.- per H.A. (een eventueele ä
l meerdere productie van de schapen moest buiten berekening `
blijven) een winst, die alleszins bevredigend is. Wij kunnen de in
l het opschrift gestelde vraag dus met een volmondig ja beant­‘ gj
woorden, mitszmen in het bezit is van een productief beslag vee,
· men de stikstofmeststof niet te duur behoeft te betalen en de 7
j melkprijs behoorlijk is. `
i Alvorens dit verslag te beëindigen willen wij nog nader op één "
punt terugkomen. 3
j ‘ Bij de bespreking de.r< zichtbare resultaten werd er reeds op sf
, gewezen dat op het N-perceel bijna geen bloeistengels van gras- l
sen te vinden waren. Duidelijk was te zien, dat de koeien van het §
gras, dat rondom de mestpollen groeide, graasde. Oorspronkelijk {
waren wij van meening, dat dit zijn oorzaak kon vinden in het
l meer sappig zijn van het gras op het N-perceel. Bij nadere over- t
t weging wil mij deze verklaring toch niet bev.redigen en daarom
moge hier nog een nieuwe proeve van verklaring volgen.
_ Uit de, in den aanvang van dit verslag vermelde proeven van
· prof. Neubauer is gebleken, dat het gras, afkomstig van land, dat '
i sterk werd bemest met stikstof, een veel hooger gehalte had aan “
ruw-eiwit dan normaal gras. Voorwaarde hiervoor is echter, dat ‘ e
het steeds in jongen toestand wordt onderzocht. Nu is deze bewei-
j dingsproef zoodanig ingericht, dat herhaaldelijk verweid werd en V P
l de dieren dus steeds niet anders dan jong gras op de proefvlakten ‘
vonden. lk acht dit dan ook één van de voorwaarden voor het zoo
volledig mogelijk benutten van de voordeelen, welke men met een .`
extra stikstofbemesting verkrijgen kan. Hoewel dit niet met cijfers, `
steunend op een onderzoek, kan worden aangetoond, meen ik ;
toch te mogen aannemen dat ook op dit proefveld een belangrijk Q ’
l verschil in ruweiwitgehalte op de beide perceelen mag worden ;
l aangenomen. Is dat zoo, dan blijkt het onmogelijk om met dit ‘
eiwitrijke gras een goed voederrantsoen (volgens Kellner) samen ,
te stellen. Krijgen de dieren voldoende eiwit en voldoende kool- ‘ .
hydraten, dan schiet het rantsoen te kort aan droge stof. Nemen e
de koeien omgekeerd zooveel gras tot zich dat aan de behoefte _
aan droge stof voldaan wordt, dan is er in dat opgenomen voedsel
een te veel aan eiwit en heeft het rantsoen ook een te hooge zet-
meelwaarde. Dit betrekkelijke tekort aan droge stof dat het gras, ·
afkomstig van het N-perceel vermoedelijk oplevert, heeft tot ge- S
volg gehad, dat de dieren zelf getracht hebben in dat tekort te ,
voorzien. Te dien einde aten zij, ondanks den minder goeden ;
smaak, de bloeistengels van het gras, rondom de mestpollen van ’
het N-perceel op. Niet de meerdere sappigheid in de eerste plaats l
is dus de vermoedelijke oorzaak van het afeten van het gras
j rondom de mestpollen, doch het relatieve tekort aan droge stof
·l