HomeIs het rendabel grasland met stikstof te bemesten?Pagina 11

JPEG (Deze pagina), 1.01 MB

TIFF (Deze pagina), 7.19 MB

PDF (Volledig document), 23.98 MB

» l
10
stof per H.A. het mogelijk maakten per H.A. 57 weidedagen extra
te verkrijgen. Het is niet onwaarschijnlijk, dat in tal van gevallen _
l dezelfde hoeveelheid stikstof meer zal produceeren, n.l. dan, als
« deze bemesting wordt toegepast op land, dat niet reeds in een
_ anderen vorm gemakkelijk opneembare stikstofverbindingen ont-
ving. ·
. ln het onderstaande zal nader behandeld worden: de invloed · l
‘ der stikstofbemesting op de totale hoeveelheid geproduceerde
melk en op de melkgift der koeien; de invloed der stikstofbemesting
op de samenstelling van de melk, terwijl ten slotte een rentabili­ j
teitsberekening zal worden opgemaakt. ‘
j Gaan wij nu allereerst na hoe het met de melkopbrengsten der t
W verschillende koeien op de beide perceelen gesteld is, om daaruit ?
te berekenen, hoeveel melk het N-perceel meer leverde dan het
n­perceel.
In vorenstaande tabel ll vindt men voor een en ander de be-
· noodigde gegevens. De geheele proeftijd is verdeeld in 28 tijd- ` '
vakken, omdat op den één na laatsten dag van ieder dier tijdvak-
ken de productie der weidende dieren werd gecontroleerd. Koe
nummer 1 gaf in het eerste tijdvak (5 dagen) op den controle-
` ‘ datum 1-3 Mei 23.0 K.G. melk, dus in dat tijdvak produceerde ‘
j de koe 115 K.G. melk. Rekent men zoo alle opgenomen cijfers om
p en houdt men de opbrengsten voor de beide perceelen afzonderlijk,
* dan krijgt men de cijfers uit de laatste, breedere kolom. Het N­per-
1 ceel heeft dus in totaal opgeleverd: 17460.7 K.G. melk; het n-per-
ceel 14166.9 K.G. of 3293.8 K.G. minder. · K·G
l Een vraag, welke zeker het zoeken van een antwoord waard is, Po
is de volgende: Heeft de stikstofbemesting invloed uitgeoefend .
op de door de proefdieren geleverde hoeveelheid melk? Bedoeld 18
is niet op de totale hoeveelheid, doch op de melkgift. Heeft dus 16 ‘
de stikstofbemesting de melkproductie der dieren als zoodanig .14
beïnvloed? En zoo ja in gunstigen dan wel in ongunstigen zin?
Dit een vraag uit de voedingsleer. De hier beschreven proef kan 12
dus ook als een practische voederproef worden beschouwd, waar- 10
bij dan het z.g. periodenstelsel is toegepast.
Uit de tabel blijkt, dat de eerste 16 koeiën gedurende dertien .
achtereenvolgende pearioden op de proefperceelen liepen. Gedu-
rende de volgende ll perioden liepen er negen koeiën op de per- , 5
, ceelen. Het is wel jammer, dat diezelfde negen niet allen ook de j
eerste perioden op het proefveld liepen, wij zouden dan nauw-
keuriger resultaten kunnen afleiden uit deze proef. Nu zijn we '
1 wel gedwongen de geheele proeftijd in een voor-zomerperiode J
en een mid-zomerperiode in te deelen om daaruit onze conc1usie’s tg
te trekken. (De nazomerperiode is te kort om ook te kunnen wor-
, den gebruikt voor het trekken van conclusies.)
Aan de voorzomerperiode namen dus 16 proefdieren deel. Wij ,
gaan nu de gemiddelde opbrengst van die 16 dieren over de ver- .
schillende tijdvakken berekenen. Wij vindendan: