HomeEen kleinigheid voor GenemuidenPagina 7

JPEG (Deze pagina), 392.26 KB

TIFF (Deze pagina), 5.06 MB

PDF (Volledig document), 7.22 MB

5
Want sterven, vóór ’t bloeiperk
Van ’t leven verdwijnt,
Vóór de bloeme der hope l
Verbleekt en verkwijnt,
Vóór ’t harte zijn drooinen moet derven;
Niet wreed is zulk sterven,
Niet hard is zoo’n lot,
Want scheiden van de aarde,
’t Is blijven bij God,
’t Is vroeg reeds het hoogre verwerven.
Maar heb deernis met die armen,
4 Die misdeelden naar den geest,
jl Die, wat ’t lot hun ook mogt geven,
Q Nooit in ’t hart zijn jong geweest;
Die nooit idealen kenden,
Nooit eens dweepten met den schijn,
En reeds in des levens bloeitijd j
:· Oud en koud van harte zijn.
Die bij ’t nadren van de lente,-­
Als langs bosch en beemd en veld,
Alles spreekt van jeugd en leven,­­·­ j
Nooit de borst in weelde zwelt.
Wie natuur, noch kunst, noch schoonheid, W
{ Ooit de strakke blikken boeit,
En voor deugd en zielenadel
, Nooit het hart in geestdrift gloeit.
v
ä j
l j
nl j
rx