HomeWat moeten en wat kunnen wij van een joodsch en algemeen godsdienstig standpunt verlangen van eene nieuwe wet op het lager onderPagina 79

JPEG (Deze pagina), 735.60 KB

TIFF (Deze pagina), 6.97 MB

PDF (Volledig document), 59.80 MB

Welnu, achter Rome volgen zij, al noemen zij zich ook
protestanten, die zeggen: Wat deze of die, vader of moeder,
geloofd heeft, de belijdenis waarop zij zijn gestorven, laat
· ook ik niet los. Ook zij houden ontwikkeling en vooruit-
gang tegen. Onze ouders toeh stonden, zoo zij ten minste
op de hoogte huns tijds waren, op den toen bereikten trap van
beschaving. Hoe ver zullen wij het wel brengen, of liever, laat
i ik vragen: hoe lang zullen wij wel stil blijven staan, als wij
maar altijd bij hun woorden en hun geloof blijven zweren?
Wij zingen dan ons zelf met het lied van een valschen
vrede in slaap. Wij maken ons wijs, dat de waarheid al ge-
vonden is en dat wij haar maar hebben aan te nemen zon-
der meer.
Dit liedeke is het oorkussen onzer traagheid, en wel verre
ä van den man te waardeeren, die door stalen vlijt en gesta-
j digen arbeid een stapje nader tot het licht, eene schrede verder
i naar de vesting der waarheid is doorgedrongen, verwerpen
j wij hem, als een verwatene en een dwaalgeest, die het geloof
§ verwoest en de waarheid miskent.
_§ Derhalve, mijn vriend, vergeef mij dat ik zoo lang heb
j voortgesproken, maar het onderwerp is mij te gewichtig dan
l dat ik niet alles zou zeggen wat mij op het hart ligt,
derhalve kan het geloof onzer vaderen, hetzij zij er mede
T leefden of mede stierven, nooit de toetssteen zijn waaraan
wij beproeven of onze overtuiging de ware is. Weet gij wat
Paulus zegt? ,,Een iegelijk zij in zijn eigen gemoed ten
volle overtuigd" (Rom. let : 5), Daarop komt het maar aan.
Zoo ons hart ons niet veroordeelt, dan zijn wij gerechtvaardigd
en vreezen het sterven niet.
Ons hart dus dienen wij te reinigen en aan dat gereinigde
hart, m. a. w. aan den heiligen geest, die in ons (versta mij
wel: in ens, niet in een ander) woont, vragen wij of wij in
de waarheid zijn.”
Hier zweeg de Heer X. . . en de ander hernam met verba-
zing: ,,Hoe is het mogelijk, dat gij niet dwaalt! Gij zijt
modern en ik ben orthodox. Uw hart veroordeelt u niet en
het mijne mij niet; dus wij hebben beiden de waarheid en
j toch staan onze overtuigingen lijnrecht tegenover elkandern.!
h Hoe gaat dit aan ?"
· I
il `
{I