HomeWat moeten en wat kunnen wij van een joodsch en algemeen godsdienstig standpunt verlangen van eene nieuwe wet op het lager onderPagina 65

JPEG (Deze pagina), 767.39 KB

TIFF (Deze pagina), 7.01 MB

PDF (Volledig document), 59.80 MB

oi
E zóó verschillende en zeer verleidelijke kleuren; de afge-
zonderdheid van ons, Joden, is zeer veel minder geworden;
er heeft reeds een zeker begin van assimilatie, van oplossing
plaats en dit dreigt grooter te worden. Ik zeg dreigt grooter
te worden; want naast het vele zeer goede, dat het kenmerk
is van den tegenwoordigen tijd, is ook zeer veel, dat groote
ernstige bezorgdheid moet wekken. Van onzen tijd kan en
mag men zeggen gelijk van << het gewelddadige grieksohe
rijk ten tijde van den Hasmoneëw, dat er veel zamenspant
«om Gods leer bij het volk Israël in vergetelheid te brengen,
om het van züne heerlijke instellingen af te leiden >>.
Gij merkt van die zamenspanning weinig of niets, gij
vervult uwe dagelijksche pligten met ijver, en wat gij
van de godsdienst in uwe jeugd hebt geleerd, is voor u
voldoende om uwen God lief te hebben met geheel uw
hart en vermogen, want dit onderrigt heeft voor u niet
opgehouden. Telkens wanneer gij het bede- of leerhuis
betreedt, wanneer gij het gebedenboek opent, telkens
wanneer onze Sabbat en hoogtijden naderen, leert gij
‘ ’ meer begrijpen en waarderen wat onze godsdienst voor ons
is. Maar uwe kinderen, zij moeten veel meer en dan
ook grondiger en degelijker godsdienstonderwijs ontvangen
dan gij hebt gehad, opdat zij niet worden als de doode
takken, gelijk er in onzen tijd zoo velen van den levenden
stam Israëls afvallen. En rust niet op u de even groote en
heilige verpligting voor het godsdienstonderwijs van de
kinderen uwer arme geloofsbroeders te zorgen? Gij hebt toch
het vvaarsohuwend woord niet vergeten: «Waakt voor
de kinderen der armen, want uit hun midden
staan de verkondigers en beoefenaren van de
Leer op >>. De inhoud van de voorgaande bladzijden zal,
naar ik vertrouw, het u duidelijk hebben gemaakt, en het
is u ook gezegd door de mannen, waardiger en bevoegder
` dan ik, die de hoeders en wakers voor uwe godsdienstige
« belangen zijn, dat het niet voldoende is, dat ggj, gelijk gg

rl 2