HomeWat moeten en wat kunnen wij van een joodsch en algemeen godsdienstig standpunt verlangen van eene nieuwe wet op het lager onderPagina 49

JPEG (Deze pagina), 791.09 KB

TIFF (Deze pagina), 6.97 MB

PDF (Volledig document), 59.80 MB

n
ï 47
als duidelijk waarneembaar in den aanvang dezer bladzijden
op het oog had, ,tot de verschijnselen, die grooten moed
‘ en bijna zeker uitzigt geven, dat het besef van de drin­ l
gende noodzakelükheirl, dat door den Nederlandschen staat, 1
wiens magt en werkkring zóó groot is, wiens zorgen en
bemoeüingen zich zóóver moeten uitstrekken, dat hü niet
ii alleen de onderwijzer maar ook de opvoeder van zijne bur-
, gers moet zijn, een duidelük en beslist standpunt moet
worden ingenomen ten aanzien van de basis, waarvan hij
bij die taak moet uitgaan, tot die verschünselen, zeg ik,
die getuigen, dat dit besef met kracht begint te ontwaken,
mag met volle regt gerekend worden het standpunt, inge-
nomen tijdens de behandeling in het afgeloopen voorjaar jj
i door onze wetgevende magt van de wet tot regeling van
het hooger onderwijs tegenover het vraagstuk der ophefüng M
van de theologische faculteiten, zooals zü tot nu toe aan
de Nederlandsche hoogescholen hebben bestaan. Dit stand-
punt is duidelijk uit hetgeen gesproken en verzwegen, ä
maar vooral uit hetgeen geschied is, uit hetgeen men in i
de plaats heeft gesteld van de faculteit, die men heeft op-
geheven. Het is een standpunt, dat niet is opgedron-
gen door de eene of ander toevallige meerderheid , en dat ‘
ook daardoor - gelijk dit dikwijls het geval is - door het ä
exclusievisme, dat het in het leven riep, in de toekomst ,
weinig kans van levensvatbaarheid en van duurzaamheid `
heeft, maar dat is ingenomen na een kalm doch hoog
ernstig beraad, hetwelk in alle opzigten de blijken droeg,
dat men het uiterst teedere, eerbiedwekkende van het l
onderwerp gevoelde, dat men het innig besefte, dat men `
op heiligen bodem stond; een standpunt eindelijk ,ingeno­
men niet door mannen, die, vreemd aan het verledene,
slechts gehoorzaamden aan de impulsiën van hun hart en
hoofd, voor wie slechts ééne openbaring, die van het he-
den, spreekt, en die het verledene slechts beoordeelen j
naar sommige van zijn werkelijk of schijnbaar wrange i
, l