HomeWat moeten en wat kunnen wij van een joodsch en algemeen godsdienstig standpunt verlangen van eene nieuwe wet op het lager onderPagina 43

JPEG (Deze pagina), 781.01 KB

TIFF (Deze pagina), 7.05 MB

PDF (Volledig document), 59.80 MB

l
n
M
het bewüst vooral dat het onderwgïs in de Joodsok voorvader-
ltïlco godsdienst, dit erfdeel van duizende jaren, bij mij
oneindig zwaarder weegt dan de schoonste en duide-
lijkste formule ­- hoe noodzakelük overigens ook -­- in de ,
wet voor de gemengde school, ja zelfs, wanneer het er
op aan moest komen, nog zwaarder dan die gemengde `
school zelve.
Het bewüst ook, dat ik hetgeen ik voor mü zelf verlang,
j ook golçïicolçïlc voor anderen wensch; dat ik schijnbaar een
‘ büzonder, doch eigenlçïic een zeer algemeen standpunt inneem. ‘
En om dit laatste nog duidelijker in het licht te stellen,
acht ik het niet ondienstig eenigzins nader stil te staan
i A bij een paar punten, voorkomende in één van de beschou- j
wingen, zooeven genoemd en wèl in die van het Weelcblad
l << Ons Onderwijs >>. Genoemd geacht << Orgaan van het Neder-
g landsch Onderwüzers­Genootschap >> had in der tüd eene in ll
zeer welwillenden toon door haar geschreven bespreking
‘ ’ müner reeds meermalen in deze bladzijden genoemde << Be-
p schouwingen >> door een résumé van den inhoud doen
, voorafgaan, in welk résumé (O. O, 1874, No. 7) geest en
strekking van mün geschrift nu en dan werd geapprecieerd
j op eene wijze, die mg niet anders dan aangenaam kon
treffen. Vooral deed het mg goed dat men meende te kunnen ·
van mij getuigen: <<Hij zelf neemt het standpunt in van I
den geloovigen verlichten Israëliet>>. Deze qualiücatie neem _
ik ook nu nog dankbaar aan en zü doet mij goed aan het
hart; niet om der wille van mün persoon, maar om der wille
ii van het geloof, waarvan ik het mij tot eene eer en een
gg geluk reken een, zü het dan ook zwakke en geringe vol- ;
geling te zijn; om der wille van het geloof, dat steeds 5
verlichting en waren zedelijken en geestelüken vooruitgang
als zijne onverbiddelüke consequentie met zich voerde. Doch
ik wil nu niet te zeer bij mgïn geloof stilstaan. Ik heb dit
J toen betrekkelük uitvoerig gedaan, wijl daartoe aanleiding
gegeven was. Nu bestaat die aanleiding niet. Buitendien j
r


.