HomeVoorloopig rapport van de commissie inzake den invloed van het wegdek op de wegbeplantingenPagina 9

JPEG (Deze pagina), 958.86 KB

TIFF (Deze pagina), 8.06 MB

PDF (Volledig document), 31.44 MB

Vervolgens scheen het gewenscht, om meer in het bijzonder navraag te
doen naar den toestand van de beworteling van verschillende boomsoorten,
bezijden en eventueel onder de verhardingen van wegen, waartoe de brief
uitging, die als bijlage 2 is toegevoegd. Deze brief werd slechts gezonden
1 aan de Hoofdingenieurs-Directeuren van den Rijkswaterstaat en de Hoofd-
ingenieurs van den Provincialen Waterstaat in de verschillende provinciën.
Q Op dit schrijven kwamen 16 antwoorden in, waarvan 7 met positieven
inhoud n.l. van den Hoofdingenieur-Directeur van den Rijkswaterstaat in
_ Zuid-Holland en Utrecht, van die in Zeeland en in Noord-Brabant en van
i de Hoofdingenieurs van den Provincialen Waterstaat in Zeeland, Overijssel,
Limburg en Utrecht.
Al deze gegevens vormen onvoldoende feitenmateriaal om daarop eene Algemeene
eenigszins stellige uitspraak te gronden. Integendeel, er kunnen slechts l€V‘ï1°l;‘;1“'
5 voorloopige gevolgtrekkingen uit gemaakt ivorden, die met het noodige g l
voorbehoud moeten u/orden aanvaard, omdat zij hun oorsprong vinden in
g slechts enkele geconstateerde gevallen. Hierbij dient nog opgemerkt te u/orden,
g dat in de gevallen, uxaarin iets van beschadiging uxas geconstateerd, niet altijd
j door een deskundige uxas uitgemaakt, of men met een bepaald ziektegeval,
l of met een algemeen ziekelijken toestand te maken had.
In verband met het voorgaande acht de Commissie het noodig over meer
l ervaringen te kunnen beschikken, doch deze kunnen slechts na verloop van
i tijd worden verkregen; zij meent eventvel niet zoolang te moeten ivachten
met het mededeelen van het resultaat van haar tot nu toe ingesteld onderzoek
i en acht het daarom geu/enscht thans reeds een voorloopig rapport uit te
j brengen.
gi Er zijn gevallen, waarin gebleken is, of aangenomen kan worden, dat
§ het gesloten zijn van het wegdek reeds na korten tijd schade aan de beplanting
heeft toegebracht; daartegenover staat, dat in vele gevallen een nadeelige
Q invloed tot nu toe niet is gebleken.
Het zou echter voorbarig zijn uit dit laatste de conclusie te trekken, dat
l een dergelijke nadeelige invloed hier niet zou bestaan, eensdeels, omdat het
l aanbrengen van gesloten wegdekken, althans bij buitenvvegen, nog niet zoo
’ heel lang plaats heeft, zoodat omtrent de gevolgen daarvan voor de weg-
beplantingen nog niet veel ondervinding kan zijn opgedaan, anderdeels,
j omdat boomen, en vooral oudere boomen, gewoonlijk eerst na geruimen ~
tijd op wijzigingen in de groeiplaatsomstandigheden zichtbaar reageeren.
Tenzij in zéér ernstige gevallen, uiten zich de gevolgen van het slechter
worden van hun groeiplaats niet door plotseling kwijnen of afsterven, maar
door een geleidelijk afnemenden groei, gevolgd door een algemeen verval.
7
I