HomeAan wie de schuld?Pagina 13

JPEG (Deze pagina), 1.05 MB

TIFF (Deze pagina), 8.00 MB

PDF (Volledig document), 59.23 MB

l
7
* daarbij die van Frankrijk te vergeten - was, mag men aan-
` nemen, al tamelijk wel geregeld. Dat inderdaad de verhouding
tusschen den machtigsten ouden en den sterksten nieuwen
l kapitalistischen Staat, in de laatste paar jaren als aanmerkelijk
verbeterd werd beschouwd, is van algemeene bekendheid. Nog
gevaarlijker dan de langjarige veete tusschen Frankrijk en
Duitschland, scheen, zooals men weet, de jonge onderlinge
vijandschap van de beide groote konkurrenten van Germaanschen
Y stam. Evenwel mag men het behoud van den Europeeschen
vrede gedurende de Balkankrisis voor een groot deel toeschrijven
W aan de goede verstandhouding tusschen Berlijn en Londen.
_ Er is, verder, geen twijfel mogelijk aan de gezindheid van
de Fransche, Engelsche en Duitsche bourgeoisieën vóór het
` uitbreken van dezen grooten oorlog. De verzekering van hun
» -1; vredelievendheid, zoo dikwijls gegeven, behoeft niet te worden
E gewantrouwd. Wat er thans aan geheel tegenovergestelde
l " gevoelens uit de burgerlijke wereld voor den dag komt, moet
l ons niet doen besluiten dat de bourgeoisieën van de oorlog-
` voerende Staten gedorst hebben naar elkanders bloed en van
verlangen brandden om het wederzijdsche grondgebied te vuur
en te zwaard te verwoesten. Wij mogen niet voorbijzien dat de
onderlinge haat en verachting, de verbolgenheid die zwelgt in
doodslag en vernieling op ’s vijands kosten, eerst door den
oorlog zelf zijn gewekt. Wat zoo spreekt en handelt, is de
. woede over de verliezen en de schade van den krijg dien iedere
partij weet niet te hebben begeerd, dien men niet anders be-
grijpen kan dan door den boosaardigen moedwil van den
tegenstander te zijn opgedrongen. Het is bovendien de vrees
voor de nederlaag, die schade en verliezen dubbel groot zal
maken. Het is eindelijk de begeerte om zóó volledig te zege-
. vieren, dat de lust tot een herhaling van den roekeloozen,
onverdienden, verraderlijken overval iederen vijand voor goed
zal vergaan. Tot diep in de arbeidersklasse grijpt, wanneer
eenmaal de oorlog is uitgebarsten, het aldus geboren senti-
ment van toorn, angst en wrok. Ook wat de burgerlijke klasse
betreft, gaat het niet aan de klaarblijkelijke oorzaken te mis-
kennen van de verdwazing en verduistering van het oordeel,
van de afstomping van het gevoel, van de felle v0or­ingeno-
menheid en afkeer die den tegenstander geen enkel leed wil
sparen en hem tot alle kwaad in staat acht.