HomeAdres aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, behelzende bedenkingen tegen het ontwerp van wet, tot regeling der schutterijenPagina 11

JPEG (Deze pagina), 648.23 KB

TIFF (Deze pagina), 6.34 MB

PDF (Volledig document), 8.12 MB

I
l 1.3
al geschieden, alzoo nog minder dan bij de bestaande schut-
l terijen , zijnde jaarlijks veertienmaal. Zal Uwe Vergadering
van oordeel zijn, ten gevolge van tien oefeningen in het
l jaar, eene schutterij zal kunnen ontstaan, die waarborgen
i bevat tot behoud van onze onafhankelijkheid P Het is moei-
lijk te gelooven.
j Wrat de oefeningen der 1C klasse betreft, valt op te
i merken, dat die in art. 110 met het kennelijk doel zijn
geregeld om de schutters, ieder afzonderlijk of bij za1ncn­
voeging van weinigen, te doen oefenen. Het woord
wapenhandel kan voor die klasse geen andere beteekenis
hebben, dan voor den infanterist, de exercitie met het
geweer. Met die klasse kan 1nen nimmer zamengestcldc
bewegingen doen uitvoeren. Vlfaren daartoe geen andere , A
dan toch zou het gering getal schutters, dat die klasse
zal bevatten, het beletsel zijn. Van de 100 schntterpligti~
gen, die in dienst worden gesteld, zullen of 66 bij de
militie gediend hebben , en immers als bekend met den
wapenhandel, in de 2° klasse worden gebragt en 33 in
de 1** klasse, zonder te letten op schutters ., die , hoewel
. niet bij de militie], zich hebben doen oefenen in den wa-
' pcnhandel. Mogelijk bij te voegen de helft der 2C klasse
van het voorafgaande jaar, geeft 50 schutters voor die
klasse, als het waarschijnlijke getal, van een bataillon sterk
500 schutters, dus het {F gedeelte. De oefeningen der 1‘*
klasse kunnen dus geen leerschool zijn voor oflicieren en
onderofficiercn.
Men beweere toch niet, dat de vereenigde oefeningen in
de gemeente, minder noodzakelijk zijn, indien de schutte­
rijen voor gedeelte zamengesteld zijn uit gewezen mi-
liciens, De bestaande schutterijen weêrspreken die meening;