HomeHet vrijverklaren bij de geboorte der slavenkinderen als middel ter afschaffing van de slavernij in de Ned. West-Indische koloniPagina 24

JPEG (Deze pagina), 699.20 KB

TIFF (Deze pagina), 6.57 MB

PDF (Volledig document), 20.47 MB

l
{
I 22
Z. Van deze erkenning acte nemende, zoo geloof ik
kortheidshalve de op de verklaring gevolgde breed-
voerige uitrekcning wel te mogen overslaan; te
meer, daar men weet dat een slavenkind van twaalf
jaren oud in onze West-indische koloniën in den 5
regel eene geldswaarde voorstelt vanf 200. Alle
, betaling aan den eigenaar der moeder van het kind
i uit te stellen, tot dat hij het kind op den daar- j
voor gestelden tijd zal overgeven, is aan te raden, `
als kunnende strekken tot spoorslag om te zorgen jl ·
dat het kind alsdan levend en zoo veel mogelijk ;[
gezond van lijf en loden moge wezen.
En hiermede houd ik de voornaamste bezwaren, door jl
de meerderheid der Staatscommissie tegen mijn ontwerp
aangewend, voor afgehandeld.
j Nu las ik nog in het onderwerpelijk artikel rz Emma- l
r/cipatie, Vu, dat er in het Maandschrift de Girls,
l onder den titel: Emmzcipaiie en Evangelie, het hier p
lr bedoeld plan meer bepaaldelijk werd beschouwd uit het ii
l oogpunt van de gevolgen met betrekking tot de zedelijke -
l verbetering der vrijgemaakte kinderen; ik merkte, voort- ,
lezende, al verder op, dat de schrijver het plan om
i alleen de kinderen te emanciperen en hen van Staatswege
. in gestichten op te voeden, als onhoudbaar heeft getracht
voor te stellen, nadat hij had gezegd: zz Door de ouders
j H op de kinderen, door de volwassenen op de aanko-
t v mende jeugd te werken, is de natuurlijke weg. rz Nu
moge deze gestelde regel met vrucht toegepast kunnen
worden, als men vóór zich heeft eene maatschappij van
zedelijk beschaafde menschen: dan met opzigt tot de
negers in onze VVest­Indiën is zulks het geval niet.
Indien men aan die negerouders de opleiding der aankomende
jeugd ging toevertrouwen, zou zulk eene onvoorzigtigheid
al zeer ongewenschte uitkomsten moeten opleveren.
Wat verder vond ik in hetzelfde artikel nog eens ter
sprake gebragt het bezwaar, dat reeds in het nonnner
van Maart 1857 is geopperd, omtrent het gezamenlijk