HomeHet vrijverklaren bij de geboorte der slavenkinderen als middel ter afschaffing van de slavernij in de Ned. West-Indische koloniPagina 18

JPEG (Deze pagina), 668.95 KB

TIFF (Deze pagina), 6.60 MB

PDF (Volledig document), 20.47 MB

I
16
de blanke vrouw lag besloten. Wel echter bespeurde
ik bij de zwarte of bruine slavin telkens sprekende
blijken van tevredenheid, als zij meende dat de
verkoop van haar kind zou strekken om het eene
betere toekomst te verzekeren , zij het dan ook maar
in den toestand van slaaf.
rl. Aan de rz wegvoering van al de kinderen zonder
zz zzéázozzzlezdzzg zz heb ik nimmer gedacht. Dit begrip
heeft de meerderheid der Staatscommissie zich zelf
opgedrongen; want in mijn opstel van den 6den
December 1854 zeide ik:
zz Het is niet onwaarschijnlijk dat de vrijgeboren
zz slavenkinderen, als ze hun tiende of twaalfde jaar
zz hebben bereikt, veelal zullen verkiezen te blijven
zz bij hunne moeders op de plantagien waar ze zijn
zz geboren en opgegroeid. Wanneer hun daar eene
zz goede behandeling te beurt valt, zou het Gou-
zzV€I'I1BH1€11l? hen op dezelve geplaatst kunnen laten
zz onder goede voorwaarden, in hun belang met den
zz eigenaar of administrateur overeen te komen. Maar
Q zz in den regel zal het beter zijn dat de in de termen
K zz vallende kinderen worden vereenigd op etablisse-
zz menten van Gouvernementswege daar te stellen
zz i11 den vorm als het Neclczhtzzdscá Jlleáüajz te
zz Zmfpám zz ‘). In overeenstemming met dat denk-
beeld schreef ik de art. 9, 10 en 11 van mijn
nader ingediend Ontwerp van 1Vet’) ter neder.
Bl. 102. zz Tegen deze bedenking werd door den voor-
zz steller aangevoerd, dat een soortgelijk ontwerp in Ve-
zz nezuela in toepassing gebragt was en uitmuntend ge-
zz werkt had; doch dat argument vond bij de overige leden
zz geen ingang. -­ Zij meenden dat de goede werking
zz van het Venezuelaansch emancipatie-stelsel verre was van
zz bewezen te zijn: eene meening waarvan zij geenszins
zz teruggebragt, maar waarin zij integendeel bevestigd
1) Eerste Rapport, Bijlage, bl. 359.
2) Aldaar, bl. 377.