HomeEenige ervaringen opgedaan in de kolonie van Frederik van EedenPagina 5

JPEG (Deze pagina), 579.83 KB

TIFF (Deze pagina), 6.67 MB

PDF (Volledig document), 18.34 MB

Nu mocht ik liever hier van daan
En slapen gaan, en slapen gaan
jr Bij mijnen lieven Heere ­­
wg ’ Het leven wordt toch waar ik toef,
è Naar mijn behoef wel veel te droef,
i Dan dat 1k het meer begeere.
2
Doch wordt mij, lacy ! niet gevraagd,
, Of ’t mij behaagt, of ’t mij behaagt
In zoo groot leed te leven. ~
En schoon ’t geplaagde hart al niet
Van zulk verdriet de reden ziet,
Toch moet ik verder streven.
5 Maar wie zal keergen ’t droef gemoed,
y Dat schreien doet, dat schreien doet
Om eindelijk erbarmen, -
E Of toch de goede Herder kwam
En ’t arme lam nu medenam
’ In zijn vertrouwlijke armen.
j ja, dichter is Dr. Frederik van Eeden, daaraan twijfel ik
` geen oogenblik, dat behoeft niet bewezen; het eerste zijner
, ,,nachtliedjes", dat hier voorgaat, spreekt en spreke voor zich
i zelf. En al is het niet om den inhoud, dat men het bewon-
i dert, dan toch zijn het de mooie melodie, welke er in ruischt,
`§ den zangerige toon door de onovertroffen schoone, vloeiende
l alliteraties, die v. Eedens gedichten over het geheel zoo aan-
·l grijpend schoon maken. Albert Verwey moge hooghartig zijn
neus optrekken voor v. Eeden’s ,,Ellen" en dezen van retorica
l beschuldigen; waar de eerste zich in zijn ,,]oden" voorstelt
ï om ,,111CC bevende muziek van stem" een ode aan dat volk te
wijden, kan ik nu juist niet vinden, dat Verwey daarin zoo
_
l