HomeDe Koninklijke Marine-machinisten in NederlandPagina 54

JPEG (Deze pagina), 761.02 KB

TIFF (Deze pagina), 6.88 MB

PDF (Volledig document), 57.81 MB

l
E;
gil ·
J 52
T .
i,ä
ii ,,opgeleid, zulk een inferieuren rang toe te kennen?
,,Staan zij dan zóó ver ten achter bij de maehinisten van
,,andere zeemogendheden, of zijn het misschien man-
ia, ,,nen uit de heffe des volks, door wie de ofliciersrang
af ,,zou onteerd worden ‘?" .... enz.
ij De heer A. zegt ten slotte: ,,Nog eene onnauwkeurig­
:j_ ,,heid moet ik releveeren. Noch de machinisten, noch
j .,de machinist-leerlingen zitten tusschen de matrozen aan
Y ,,bakken. Zij houden hun tafel afzonderlijk en hun wordt
· ,,de noodige bediening toegevoegd?
= Het bovenstaande geven wij den heer A. volkomen
toe, wat betreft de kweeksehool te Hellevoetsluis. Niet
g alzoo de leerlingen aan boord in actieven dienst geplaatst -
ook den machinist Sac klasse is daar niet zelden het
§‘ verblijf tusschen de matrozen en aan de bakken aange-
wezen. Er bestaan, _ja, gunstige uitzonderingen, maar de
j regel is niet minder.
j' En hiermede nemen wij afscheid van den brief des
heeren A., na echter het hoofd van dat schrijven nog
·· even in herinnering te hebben gebracht. Ilij vangt aan:
,,lloeweI ik mij in hoofdzaak ook met de beschouwingen
{ » ,,des schrijvers kan vereenigen, zoo maakt hij zich wel
' ,,eens aan overdrijving schuldig? N
j Wat de llaatste zinsnede betreft, zou dat best mogelijk jg
{ kunnen zijn, en als hij het doet en men hem daarvan “
j zal kunnen overtuigen, zal hij gaarne zijn ongelijk er-
r kennen. (Zie het n°. VIII, waar hij zelfs een ,,amende
honorable" tegenover de scheepsklerken heeft gedaan.)
Maar de tegenbedenkingen van den heer A. hebben hem
nog niet overtuigd; hij hoopt integendeel, dat dit in een
omgekecrden zin het geval moge zijn.
, Wat den aanhef betreft van den brief: ,,IIoewel ik
L mij in hoofdzaak met de beschouwingen des schrijvers j
’ kan vereenigen", deze heeft ons verheugd; die taal betuigt
van een huinaniteitsgevoel, waarvoor we den heer A.
` dankbaar zijn, ­­ en om die reden zijn we dan ook zoo
I vrij, hem minzaam te verzoeken, op onze wederleggingen
E terug te komen, als hij zich met onze beschouwingen
niet vereenigt - en, zij het niet in een openbaar dag- j
« blad, dan ten minste langs denzclfden weg, waardoor I
!
t
I
V 2
I; i