HomeDe praktijk der huurcommissiewet en de huuropzeggingswetPagina 51

JPEG (Deze pagina), 669.07 KB

TIFF (Deze pagina), 5.22 MB

PDF (Volledig document), 56.73 MB

. {
Wij ontleenen voor onze opvatting, dat die normale huur-
, waarde steeds uitgangspunt moet zijn, ook een argument
aan de geschiedenis der wet en halen daartoe deze woorden
aan van den voorsteller der amendementen, die ,,de nor-
male huurwaarde" in de wet brachten, van den heer De
Wijkerslooth de Weerdestein:
De amendementen, die ik op artt. 4 en 5 heb inge-
diend, hebben de strekking, een tweeledige onbillijkheid
weg te nemen, die volgens de tegenwoordige artikelen `
soms tegen verhuurders, soms tegen huurders wordt
­ begaan. Volgens het tegenwoordige artikel 4 toch is
voor de huurcommissie het punt van uitgang: bij de
goedkeuring eener huurverliooging de huurprijs gelijk
‘ die tusschen verhuurder en huurder gold op 1 Januari
1916. Op den huurprijs van dien datum mag de ver-
, huurder zijne lioogere uitgaven leggen, onverschillig of
. de huur toen door den verhuurder reeds te hoog of nog
F te laag was vastgesteld ......
E Dit is onbillijk tegenover den betrokken huurder, die
t zeker in niet mindere mate aanspraak op bescherming
heeft dan de huurder die na 1 Januari 1916 is ver-
hoogd ...... ,,Die onbillijkheid had voorkomen kun­
nen worden door aanneming van het amendement van
,ï den Heer Mendels, om als oogenblik van vergelijking
‘ aan te nemen den len Januari 1915; dan ook waren
F de huurders geholpen. Nu dit niet gebeurd is, wil ik
althans die verhuurders treffen, die niet alleen vóór
1 Januari 1916 reeds onredelijk opsloegen, doch daar-
­ mede niet tevreden, nog wederom de hoogere uitgaven
1 in rekening willen brengen. En als de huurcomrnissie
; den gevraagden hoogeren huurprijs niet goedkeurende,
als orgaan van openbaar gezag zelf de huur moet
bepalen, wil ik, dat zij niet gebonden zij aan een onbil-
‘ lijken grondslag.
. In overeenstemming hiermee is een vonnis van den s
Kantonrechter te Leeuwarden van 25 Februari 1918 (W. v.
h. R. no. 10219), waarin wordt overwogen, dat art. 4 der
ï 49