HomeDe praktijk der huurcommissiewet en de huuropzeggingswetPagina 39

JPEG (Deze pagina), 699.62 KB

TIFF (Deze pagina), 5.22 MB

PDF (Volledig document), 56.73 MB

" 1°. de verhooging moet gerekend worden nooit te hebben
plaats gehad, en dan zullen moeten worden terugbetaald alle
P verhoogingen vanaf 1 Jan. 1916 (1918);
_x 2°. de verlaging moet geacht worden te zijn ingegaan op
16 October 1916 (1 Januari 1918), den datum waartoe de
· huurcommissie met hare beslissing mag teruggaan;
i 3°. de verlaging gaat in op den eersten dag na afloop van
’ de eerste maand na de instelling der huurcommissie (na
i het in werking treden der Huuropzeggingswet). Wij mee-
nen, dat dit laatste het geval is. Zulks op grond van artikel
. 28 A. m. v. B.: de verlaging van den huurprijs, bedoeld bij
het eerste lid van artikel 2 der wet, vangt aan te werken op
den eersten dag na afloop van de maand, in dat artikel be- “
doeld. Precies het geval van artikel 2 der wet, dat een orgi-
willige verlaging bedoelt, om aanraking met de huurcom-
missie te vermijden, is hier wel niet aanwezig, men zou kun-
nen spreken van eene noodgedwongen vrijwillige verhooging.
De huurder, die te laat gekomen is, kan om zijne schade
te beperken niet anders doen, dan onmiddellijk een verzoek
i voor eene toekomstige verhooging indienen, maar heeft
i daartoe dan ook ongetwijfeld de bevoegdheid.
Er zijn huurcommissies, die te laat ingediende verzoeken
om verhooging wèl in behandeling hebben genomen, en
daarop hebben beslist, alsof zij tijdig ingediend waren. Al-
dus de huurcommissie te Utrecht (W. v. h. R. no. 10189) 1),
die aldus besliste:
De Huurcommissiewet stelt op de overschrijding van
den in artikel 2 voorgeschreven termijn geen civielrech-
telijke sanctie. Ook uit artikel 8 dier wet vloeit niet
‘ voort, dat door het enkele te laat indienen van het ver- _
zoekschrift de huurprijs van 1 Januari 1916 als tus-
schen partijen geldend zou moeten worden aangemerkt.
Waar geen wetsbepaling de Huurcommissie verbiedt
een te laat ingediend verzoekschrift in behandeling te
nemen en daarop ten gronde eene beslissing te geven,
is de verhuurder in zijn verzoekschrift ontvankelijk.
‘) En laatstelijk de Huurcommissie te Leiden 7 Januari 1918,
­ W. v. h. R. no. 10226.
. 37
1 · 1