HomeDe uitwerking van het nieuwe art. 192 der grondwetPagina 98

JPEG (Deze pagina), 957.26 KB

TIFF (Deze pagina), 8.00 MB

PDF (Volledig document), 110.98 MB

e
rg
jl!
96

jjj zeer algemeenen aard, die bij een wijziging der lageronder-
wijswet en -der leerplichtwet, noodzakelijk ter sprake moeten
komen, om het bedoelde onderwijs althans zijn plaats aan te
wijzen in de geheele onderwijsorganisatie.
In de eerste plaats behoort naar de meening onzer Com-
missie ­dit geheele onderwijs voor zoover het gegeven wordt
aan kinderen op leerplichtigen leeftijd, te worden gebracht
onder het lager onderwijs. Thans is d·eze zaak allerzonderlingst
geregeld, of juister, zij is buiten regeling gebleven. Een
gedeelte dezer onderwijs­inrichtingen, het onderwijs aan
doofstommen en blinden, wordt geacht tot het Middelbaar
Onderwijs te behooren, al verklaart de wet ­op het Middelbaar
gglä Onderwijs de meeste harer bepalingen op dit deel niet van
toepassing. D·e inrichting van het onderwijs aan zwakzin-
êl nigen steunt in hoofdzaak op de regelen, gesteld bij Besluit
van I2 Februari 1909 en zo S·eptember 1913, omtrent de
gï verleening v.an subsidies aan gemeentelijke en bijzondere
scholen van ·dezen aard. Een ander belangrijk gedeelte heeft
gi nog in het geheel geen regeling gevonden. Het komt onze
Q, Commissie voor, dat dit geheele onderwijs zijn plaats behoort
te vinden in de herziene lageronderwijswet.
Daarmede zal tevens zijn beslist, dat ·dit onderwijs valt onder
de verplichting der leerplichtwet. Omtrent de noodzakelijk-
heid daarvan verwijzen wij naar het Rapport van de sub-
commissie voor Lager Onderwijs der ineenschakelings-Com-
missie. In overeenstemming met het daar gezegde meenen
wij dat de vrijstellingen, die de leerplichtwet noemt in art. 7
·onder IO en 70 (vrijstelling aan kinderen zonder vaste woon-
ll plaats en die volgens geneeskundige verklaring ongeschikt
zijn voor het bezoeken van een lagere school) behooren te
gj vervallen. In hun plaats behoort een leerverplichting te
treden, die voor de bijzondere gevallen bij Koninklijk Besluit
nader zou behooren te worden uitgewerkt. Zulk een Koninklijk
Besluit zou bijv. de wijze moeten regelen, waarop aan de
ij leerverplichting moet worden voldaan door de kinderen van
$3;; ouders zonder vaste woonplaats. Gelijk bekend is wordt
ïiïï thans op verschillende plaatsen waar schippers eenigen tijd
plegen te vertoeven, in afzonderlijke scholen en klass-en aan
schipperskinderen onderwijs gegeven. Bij dit onderwijs wordt
ll ernaar gestreefd door de samenwerking der betrokken onder-
wijzers te geraken tot zoo groot mogelijke uniformiteit van
leerplannen en leermiddelen en dus zoo gering mogelijke
§1_ “ storing bij verplaatsing. Het denkbeeld is geopperd, over
‘ het land verspreid op door schippers bezochte plaatsen leer-
l:
ll
ll.
E;
lc

§,»
r