HomeDe uitwerking van het nieuwe art. 192 der grondwetPagina 97

JPEG (Deze pagina), 895.19 KB

TIFF (Deze pagina), 7.91 MB

PDF (Volledig document), 110.98 MB

95
den bestaanden toestand geleidelijk in den nieuwen over te
voeren, zullen -daarbij voor den landbouw noodig zijn.
b. beperkende bepalingen ten opzichte van den arbeid van
jeugdige personen (14-18 jaar) in dien zin, dat geregeld
wordt het minimum-aantal leeruren, dat d·eze personen behoo-
ren te ontvangen en het maximum uren arbeid per dag en
per week, dat zij mogen verrichten. Dit laatste getal zal
zoo moeten worden bepaald, dat het aantal leer- en arbeids-
uren tezamen ten hoogste bedraagt 8 uren per dag en 45
uren per week voor personen beneden 16 jaren, en IO uren
per dag en 55 uren per week voor de ouderen. Aan de
schoolraden behoort de bevoegdheid te worden gegeven
regelen te maken in verband met de eischen van plaatselijke
toestanden en van bepaalde bedrijven, omtrent de verdeeling
tusschen arbeid- en leeruren, met behoud van de wettelijke
gemiddelden voor de leeruren en het wettelijke maximum
per dag en per week voor het totaal van leer- en arbeidsuren.
c. verbod van Zondags- en nachtarbeid voor jeugdige per-
sonen. _
d. ter controle van de bepalingen sub b. en c. de instelling
van arbeidskaarten voor allen arbeid van jeugdige personen,
dus niet gelijk thans alleen voor arbeid in werkplaatsen of
fabrieken, maar ook voor huisindustrie, landbouw, huiselijke
diensten in een ander dan het eigen gezin, enz.
e. ter nakoming van de bepalingen sub a. b. en c. behoort
de schoolraad de bevoegdheid te hebben om de samenwerking
tusschen schooltoezicht en onderwijzers eenerzijds en arbeids-
inspectie anderzijds, in gemeen overleg met de laatstgenoemde
te regelen.
§ 18. Scholen van buitengewonen aard.
Onze Commissie heeft overwogen, of zij ook bespreking van
het onderwijs in scholen van buitengewonen aard in haar
Rapport zou opnemen. Op verschillende gronden heeft zij
daarvan afgezien. Vooreerst, omdat een dergelijke bespreking
de grenzen van dit Rapport naar haar meening overschrijdt,
maar vervolgens omdat de bedoelde scholen zoo uiteenloopend
van aard zijn (zij omvatten immers tenminste het onderwijs
aan doofstommen, blinden, zwakzinnigen, achterlijken, meer-
begaafden, tuchtelooz-en, longlijders, spraakgebrekkigen, mis-
maakten, kinderen zonder vaste woonplaats), dat onze Com-
missie zich niet op elk dier gebieden competent mag achten.
Wij willen ons dus beperken tot eenige opmerkingen van
l
l
l
A