HomeDe uitwerking van het nieuwe art. 192 der grondwetPagina 85

JPEG (Deze pagina), 927.90 KB

TIFF (Deze pagina), 7.90 MB

PDF (Volledig document), 110.98 MB

T
(
l U
E §15. Pensioenen en wachtgelden.
j Een tweede belangrijk onderdeel eener behoorlijke salaris-
‘ regeling betreft de pensioenen. De eerste vraag, die zich
{ daarbij voordoet is deze: zal gestreefd worden naar een
j premievrij pensioen? Eén der leden acht dit ongewenscht,
I daar ambtenaren bij een premievrij pensioen geen mede-
zeggingschap zullen krijgen in het beheer van het pen-
sioenfonds, terwijl in het stelsel van premievrij pensioen
ook geen sprake kan zijn van aanspraak op pensioen,
wanneer men den dienst om andere dan gezondheidsredenen
verlaat. Toch kan het voor het onderwijs niet anders dan
l gew­enscht zijn, wanneer aan personen, die zich daarin niet
l thuis gevoelen, de overgang naar een ander beroep gemak-
kelijk wordt gemaakt.
De meerderheid der Commissie kan zich hiermede niet ver-
eenigen. Zij meent, dat op den Staat of op zijn organen
de verplichting rust tot het onderhoud van hun ambtenaren
na den leeftijd, waarop van hen productieve arbeid kan
g worden verwacht. Pensioenstorting kan van deze ambtenaren
I redelijkerwijze niet worden verlangd.
De Commissie acht dus niet slechts voor onderwijzers,
i maar voor all-e ambtenaren en werklieden in publieken dienst
l premievrij pensioen gewenscht. Dat daardoor de mogelijkheid
vervalt tot uitkeering van pensioen aan wie den dienst om
andere dan gezondheidsredenen verlaten, wordt door haar
erkend. Maar zij acht dezen wensch niet te handhaven, om-
dat hij in strijd is met het begrip van pensioen, dat inhoudt:
verstrekking door den Staat van levensonderhoud aan die-
genen, die door ziekte of ouderdom niet meer tot werken
in staat zijn. Practisch ziet de meerderheid ook dit bezwaar,
dat er een aanmerkelijk verloop bij ’t onderwijs zou komen,
wanneer aan personen, in de volle kracht van hun leven, door
’t verstrekken van een pensioen, dat feitelijk niets anders dan
een lijfrente zou zijn, en dan een lijfrente met veel te lage
premie, de gelegenheid werd geboden op exceptioneel gun-
stige voorwaarden eene carrière buiten ’t onderwijs te kiezen.
, Eenstemmig intusschen is de Commissie van meening, dat
j wanneer haar stelsel van premievrij pensioen niet wordt aan-
, vaard, een bepaling behoort te worden gemaakt, die den
; onderwijzer, welke den dienst verlaat zonder pensioengerech-
l tigd te zijn, aanspraak geeft op de gestorte bijdragen.
Een tweede punt betreft den pensioenleeftijd. De Commissie
l acht het niet gewenscht dat de onderwijzer de vrijheid heeft
l
jj.
l