HomeDe uitwerking van het nieuwe art. 192 der grondwetPagina 83

JPEG (Deze pagina), 952.52 KB

TIFF (Deze pagina), 7.93 MB

PDF (Volledig document), 110.98 MB

81
te worden opgenomen, die herziening dezer reg·elen om de
tien jaar voorschrijft.
Met de grootst m·ogelijke meerderheid acht de Commissie
verschil in salarieering tusschen vrouwen en mannen
ongew·enscht, ·en evenzeer is ze gekant tegen ieder denkbeeld
van afzonderlijk·e toelagen voor vergoeding van of tegemoet-
koming in woninghuur, van kindertoeslag en dergelijke.
De Commissie meent, dat voor ziekte en zwangerschap geen
korting op dit salaris behoort plaats t·e hebben. Tijden van
ziekte en zwangerschap brengen voor het gezin verhoogde uit-
gaven mede, en het gaat niet aan, dat Staat en Gemeente,
in plaats van in deze uitgaven tegemoet te komen, een deel
van het salaris inhouden. De Commissie verlangt natuurlijk
niet, dat wanneer eenmaal duidelijk is gebleken, dat de be-
trokkene niet meer in staat zal zijn, zijn werk te hervatten,
hem voor zijn leven lang zijn volle salaris zal worden uitge-
keerd. Wel meent zij, dat de grens hier zeer ruim zal moeten
worden genomen, en in ieder geval, dat, zoolang het dienst-
verband bestaat, Staat en Gemeente verplicht zijn, het volle
salaris uit te keeren. Evenzoo acht de C-ommissie het onbillijk
dat de onderwijzer, die geroepen wordt militaire diensten
te vervullen, in zijn salaris meer wordt gekort dan zijn ver-
diensten als militair bedragen. Hij wordt tot die diensten
door wettelijke bepalingen gedwongen en verricht ze ten
bate der gemeenschap; voor de meesten beteekent de tijd
van militaire oefening belemmering in hun opleiding en voort-
gezette studie; de commissie ziet geen enkele reden waarom
het gewettigd zou zijn, hem in salaris te verminderen.
Ten aanzien van de vraag, of het billijk te achten is, dat
kloosterlingen minder salaris zullen ontvangen dan de overige
onderwijzers en onderwijzleressen, spreekt de Commissie zich
uit in dien zin, dat een onderscheiding in deze naar de bestem-
ming, die aan het salaris wordt gegeven, niet gerechtvaardigd
is. leder moet weten, wat hij met zijn salaris doet, en den Staat
kan niet het recht worden toegekend daarnaar onderzoek
te doen. Bovendien zou het mogelijk zijn, dat bij bepalin-
gen in deze richting door de belanghebbenden getracht
werd door allerlei middelen de onderscheiding practisch tot
een fictie te maken.
Een belangrijk verschil van gevoelen rees in de Commissie
ten opzichte van de salarieering van hoofden van scholen.
Daar dit verschil van inzicht samenhangt met de positie
van het hoofd, waarop wij in ander verband in § 16 terug
komen, is het onnoodig daarover hier uitdrukkelijk te spreken.
6