HomeDe uitwerking van het nieuwe art. 192 der grondwetPagina 71

JPEG (Deze pagina), 873.05 KB

TIFF (Deze pagina), 7.93 MB

PDF (Volledig document), 110.98 MB

69
l
F
Het wil ons toeschijnen, dat deze poging tot specialiseeren
E reeds in de opleiding, het onderwijs, vooral aan M.U.L.O.
scholen, zeer kan ten goede komen en de lust tot eigen studie
kan vergrooten.
§ 12. Bezwaren tegen deze voorstellen en hun
weerlegging.
Tegen de voorstellen der Bevredigings-Commissie zijn zoo-
wel in de vakpers als daarbuiten, verschillende bezwaren in-
gebracht, die in nog veel sterkere mate tegen de voorstellen
onz·er Commissie zullen worden aangevoerd. Het komt ons
wenschelijk voor deze hier nader ond·er de oogen te zien.
Is het niet vreemd, zoo heeft men gevraagd, dat er
aangedrongen wordt op een opleiding, geheel aan kweek-
scholen, nu op al deze inrichtingen het aantal candidaten,
dat toelating vraagt, daalt? Hiertegenover valt op te merken,
dat de daling van dit aantal ni-et het gevolg is van een minder
beg-eieren der kweekschool, maar van de slechtere maat-
schappelijke positie der onderwijzers. Flinke jongens kunnen
overal m·eer verdienen dan bij het onderwijs.
In de naaste toekomst zal men tot aanzienlijke verhoo-
ging der wedden moeten overgaan, wil men niet voor zon-
derlinge toestanden komen te staan. «Vij komen op dit punt
in het tweede gedeelte van dit hoofdstuk terug. Hier behoeven
wij deze vraag slechts even aan te stippen omdat wij overtuigd
zijn, dat bij behoorlijke salarissen niet gevreesd behoeft te
worden, dat ·er zich niet genoeg jonge lieden ter opleiding
zullen aanmelden. Moeilijker is de opleiding, zooals het
Bevredigings­Rapport die wil, niet, indien we haar vergelijken
. met de huidige; ze is toch veel rustiger, minder afhankelijk
van toeval ·en gelukkige oogenblikken, minder gericht op
examenweetjes en veel meer ontwikkelend.
Eene andere vraag betreft de kwestie van de eene akte.
Is het niet wat te forsch, zoo vraagt men, dat de onderwijzer
als hij de kweekschool verlaat, geheel gereed zal zijn met
i zijn studie?
j Heeft zoo iemand niet een prikkel noodig om aan het
werk te blijven? Zal hij, eenmaal benoemd, zich niet tevreden
stellen met kalmpjes zijn dienstjaren te verzamelen, zonder
een poging te doen zich in ‘een of ander opzicht te onder-
. scheiden? Het bezwaar is uitgesproken in een onderwijzers-
kring en mag daarom niet worden weggezwegen. Maar het