HomeDe uitwerking van het nieuwe art. 192 der grondwetPagina 59

JPEG (Deze pagina), 796.03 KB

TIFF (Deze pagina), 7.92 MB

PDF (Volledig document), 110.98 MB

. 57
,_ HOOFDSTUK III.
HET ONDERWIJZEND PERSONEEL.
A. DE OPLEIDING.
§1o. De opleiding thans en de voorstellen der
Bevredigings-Commissie.
De Commissie acht het overbodig breedvoerig uit te wijden
over het groote belang voor de volksontwikkeling van een
goede opleiding tot het onderwijzersambt. Meer en meer
dringt ook buiten onderwijskringen het besef door, dat de
persoonlijkheid van den onderwijzer, zijn kennis, zijn toe-
wijding en beroepsliefde samen den belangrijksten factor le-
veren voor het welslagen van het onderwijs. VX/`ie streeft naar
verbetering van de opleiding streeft mede naar verbetering
van het onderwijs.
De schoolwet van 1878, sedert op dit punt niet gewijzigd,
kent drieërlei opleiding: a. die aan rijks-, gemeentelijke- en
bijzondere Kweekscholen; b. die aan rijks-, gemeentelijke-
en bijzondere normaallessen en c. die door hoofden van scho-
len. Deze opleiding vangt aan op 14 à 15-jarigen leeftijd en
wordt gewoonlijk begonnen nadat de leerling een paar jaren
doorgebracht heeft in de hoogste klassen eener volksschool.
De opleiding behoeft behalve op de Kweekscholen niets meer
te geven dan wat op het examen wordt gevraagd en beperkt zich
dan ook -­-behalve ·op Kweekscholen en enkele normaallessen
- tot de vakken van dit examen. Na het afleggen van het examen
begint voor den jongen onderwijzer de voorbereiding voor
andere examens, welke studie moet worden gevolgd, nadat
hij overdag zijn werk in de school heeft verricht.
ä Algemeen is men in vakkringen overtuigd van het geheel
onvoldoende dezer opleiding; ­doch ook daarbuiten heeft men
E herhaaldelijk op verbetering aangedrongen. Men zie daarvoor:
Y Concept W·et van de vereeniging Volksonderwijs en de Nuts-
brochure: ,,De grondslagen van ons volksonderwijs."
Het Bevredigingsrapport stelt een andere regeling der op-
leiding voor.