HomeDe uitwerking van het nieuwe art. 192 der grondwetPagina 54

JPEG (Deze pagina), 942.67 KB

TIFF (Deze pagina), 7.89 MB

PDF (Volledig document), 110.98 MB

l
il
rl
52 ‘

redenen daarvoor zijn niet ver te zoeken ; het herhalingsonder-
wijs is maar al te zeer, wat zijn naam aanduidt, herhaling
van het op de lagere school onderwezene. Het is niet op
zelfstandige denkbeelden gebaseerd, heeft geen eigen doel.
Dat kinderen, die 6 jaar of langer de lagere school hebben
bezocht, daardoor in hooge mate zouden worden geboeid,
j laat zich niet verwachten. In de toekomst zal, na de verlen-
ging van den leerplichtigen leeftijd, dit bezwaar zich nog
sterker doen gevoelen. Daarom moet, zoo ergens, dan hier
l met den bestaanden toestand geheel worden gebroken, en
een nieuw gebouw op nieuwe fundamenten worden opge-
I; trokken.
jj De Commissie d-enkt zich de inrichting van dit vervolg-
onderwijs -­ gelijk zij het zou willen noemen - in den
geest van, maar met sterker doorvoering der beginselen,
die reeds in de voorgaande paragraaf zijn uiteengezet. Zij
wil dus gaan in dezelfde richting als het Rapport, uitgebracht
aan de afdeeling Amsterdam van den Bond van Ned. Onder-
li wijzers, opgenomen als bijlage D bij het eerste hoofdstuk
lj van het Tweede deel van de Rapporten der ineenschakelings-
commissie. Het F-ortbildungsschulwesen te München onder
Kerschensteiners leiding ontwikkeld, heeft op dit gebied ge-
legenheid gegeven tot h·et opdoen van rijke practische ervaring.
j Die ervaring wekt alleszins op het gegeven voorbeeld te
j _ volgen.
jl Het vervolgonderwijs behoort dan allereerst uit te gaan
li van de gedachte, dat de noodlottige dwaling dient bestreden
Y te worden alsof ,,handenarbeid" (d.w.z. de levensvulling van
% wellicht QQ 0/0 zijner leerlingen) minderwaardig zoude zijn,
j vergeleken bij het verwerven van kennis. Instede van voed-
E sel te geven aan dien waan, en aldus d·e leerlingen minder
l_ instede van meer geschikt te maken voor hun maatschappelijke
g taak, kweeke het zooveel mogelijk eerbie-d voor en belang-
stelling in den arbeid, die den leerlingen in de maatschappij
ä wacht, ja waarmede zij reeds gedeeltelijk zijn aangevangen.
s In het middelpunt van het vervolgonderwijs behoort daarom
het beroep te staan, dat de leerling gekozen heeft, tenzij?
ET de aard van dit beroep, de zoogenaamde ,,ong-eschoolde
arbeid", dit belet. Het onderwijs in de vakken van alge-
meenen aard, Nederlandsche taal, rekenen, kennis der
jj natuur en der maatschappelijke verhoudingen, behoort niet
volgens een in abstracto opgemaakt plan te worden gegeven;
het moet aanknoopen aan de concrete vragen, die het beroep ‘
Q zelf stelt. Eerst van zulke vragen uit, moeten meer algem·eene
LI
lt
jl
ti l
l J
lim j