HomeDe uitwerking van het nieuwe art. 192 der grondwetPagina 52

JPEG (Deze pagina), 944.06 KB

TIFF (Deze pagina), 7.93 MB

PDF (Volledig document), 110.98 MB

I l
1
il
il ‘
rg 50
Onnoo-dig te zeggen, dat aan het teeken- en zangonderwijs I
zijn plaats en de noodige hulpmiddelen niet ontbreken.
Onze Commissie meent, dat het hoog tijd wordt, dat wij dit 1
voorbeeld volgen. Zal de verlenging van h­et onderwijs, over I
jg de noodzakelijkheid waarvan alle deskundigen eenstemmig i
denken, haar vruchten dragen, dan moet zij niet in vermeer-
dering van kennis alleen haar kracht zoeken, maar in de
ll samensmelting van theoretisch onderwijs en arb-eid der leer-
lingen tot één geheel.
I In dit verband wenscht de Commissie het spel naast de
j gymnastiek onder de leervakken te zien opgenomen, ·en d·e
jg nuttige handwerk­en in den gewonen schooltijd te zien gehand-
jl haafd, terwijl een bepaling moet worden getroffen, dat dit
onderwijs ni·et aan onbevoegden kan worden toevertrouwd.
Tenslotte zal bij d­e inrichting van het leerplan moeten worden
gezorgd, dat de gezondheidsleer de haar toekomende plaats
gi in het vak kennis der natuur verkrijge.
De vraag rijst waar een dergelijk ingericht ond·erwijs aan-
I sluiting zal moeten geven tot verder voortgezet onderwijs,
il M.U.L.O., Middelbaar of Gymnasiaal onderwijs. Enkele le-
; den der Commissi-e verdedigden de meening, dat afzonderlijke
ik opleidingsscholen voor het Middelb.aar onderwijs behoorden
te bestaan, omdat de algemeene volkssehool tot die opleiding
niet in staat is.
nl De overgroote meerderheid der Commissie deelt dit stand-
punt niet. Zij kan geen principieele verschillen zien in het
, onderwijs van kinderen van IO tot I2 jaar of deze nu tot
I 14 of tot 18 jaar of langer, onderwijs zouden ontvangen.
, Op het oogenblik komt het verschil in leerplan hoofdzakelijk
neer op de beginselen van het Fransch. Dit verschil ver-
lj dwijnt zoo men met het onderwijs in het Franseh later begint.
g In het algemeen moet naar de m·eening der Commissie de
onderwijsregeling niet aldus zijn, dat de hoogste onderwijs-
{ instelling, de Univ-ersiteit, aan het Middelbaar en Gymnasiaal
onderwijs zijn eischen oplegt, en dit wederom aan het lager
onderwijs, maar dat ­elk verder gaand onderwijs voortbouwt
op de grondslagen, die het voorafgaand onderwijs heeft ge-
. legd, in overeenstemming met zijn eischen, d.w.z., de eischen `
j` van den leeftijd waarvoor het is bestemd. En zeker geldt
li deze algemeene stelling ten opzichte van de verhouding van
het Lager onderwijs en het Middelbaar ·en Gymnasiaal onder- j
wijs, dat slechts voor een betrekkelijk klein deel van het volk
openstaande, niet zijn wetten mag opleggen aan het eigenlijke
l
F
I l
i l
I