HomeDe uitwerking van het nieuwe art. 192 der grondwetPagina 39

JPEG (Deze pagina), 0.96 MB

TIFF (Deze pagina), 7.88 MB

PDF (Volledig document), 110.98 MB

I
37
kinderen, moge zijn, vermag niet meer al hun aandacht
te boeien. Van Alphen’s wijze woorden, dat l·eeren spelen
is, vermag onze Commissie niet tot de hare te maken; zij
plaatst er tegenover de slechts schijnbaar tautologische stel-
ling, spelen is spelen en leeren is leeren. En het behoort
zoo te zijn, zal men niet vervallen in bedenkelijke sentimen-
taliteit. Maar daaruit vloeit voort, 'dat eene voorbereidende
school van 4 tot IO jaar in twee radicaal van elkander ver-
schillende helften zou uiteenvallen. Reeds in hun doel ver-
schillen zij ten eenenmale. Terwijl directe intellectsvorming
in de eerste helft slechts een zeer ondergeschikte rol zou
vervullen, oefening van het geheugen en van machinale vaar-
dighed·en verre achter moeten staan bij het uitleven d·er kinder-
lijke activiteit, de oefening van zintuigen, smaak en fantasie, zijn
het 8ste, 9de en 1ode jaar de aangewezen jaren voor het verwer-
ven van vaardigheid in lezen, schrijven en rekenen. Worden deze
fundamenten niet in die jaren gelegd, dan begaat men een
verzuim, dat later niet makkelijk weer in te halen is. Daaruit
vloeit voort, dat in de eerste helft der bedoelde periode de
aard der bezigheid, die op den voorgrond staat, en daarmee
de aard van den omgang met de kind·eren, een geheel andere
zal zijn, dan in de tweede helft. Daarom zullen dan ook de
eisch·en, te stellen aan het onderwijzend personeel, ten eenen-
male verschillen. Men kan uitnemend geschikt zijn voor de
eerste taak, en niet deugen voor de tweede, en omgekeerd.
De v·erschillen tusschen het onderwijs ·aan kinderen van 9
en van I3 jaar zijn in dit opzicht ongetwijfeld zeer veel kleiner
dan die tusschen het onderwijs aan 9- en dat aan 5-jarige
kinderen. Ook aan de klasselocalen en de verdere inrichting
der school, behooren gansch andere eischen gesteld te worden.
Reeds om die redenen zou een in gebruik nemen der tegen-
woordige schoolgebouwen voor voorbereidend onderwijs te
ontraden zijn, wilde men niet tot zoo groote verbouwingen
overgaan, dat de financieele voordeelen illusoir zouden worden.
Op dien grond heeft de Commissie gemeend, het voorbe-
reidend onderwijs dan te moeten laten eindigen, als in den
schooltijd het spel aan den arbeid zijn plaats behoort af
, te staan. Dat dit thans, gemeenlijk op het 6de jaar, te vroeg
geschiedt is de eenstemmige overtuiging onzer Commissie.
De meeningen wanen aanvankelijk verdeeld over de vraag of
7 dan wel 8 jaren ïals normale scheidingslijn moest worden
genomen. De conclusie waartoe men hier komt, hangt samen
met de vraag of de beginselen van lezen, schrijven en rekenen,
al of niet tot het voorbereidend onderwijs moeten worden ge-