HomeDe uitwerking van het nieuwe art. 192 der grondwetPagina 33

JPEG (Deze pagina), 922.31 KB

TIFF (Deze pagina), 7.92 MB

PDF (Volledig document), 110.98 MB

Naar onze meening bestaat in groote steden geen behoefte
aan volksscholen met zoo weinig leerlingen, dat zij niet over
een volledig uitgebouwd klassesysteem beschikken. Vij zou-
den daarom het minimumaantal leerlingen, dat aanspraak
‘ geeft op de bekostiging eener bijzondere school uit de open-
bare kas, op 160 instede van op ioo willen zien gebracht
in alle gemeenten boven 8o.ooo inwoners.
ln de tweede plaats achten wij een bepaling wenschelijk,
volgens welke, met uitzondering van den noodmaatregel, be-
doeld in art. 54 ter 2de alinea, geen bijzondere school uit
de openbare kas zal onderhouden worden, waaraan niet ten-
minste drie leerkrachten zijn verbonden. Vij wenschen zulk
een bepaling hoofdzakelijk om de principieele reden, reeds
boven genoemd. Immers, zoowel volgens de voorstellen der
Bevr»edigings­Commissie als volgens onze bovenstaande wen-
schen zullen die leerkrachten reeds vereischt zijn, althans
door het schoolbestuur van het Rijk kunnen worden gevor-
derd bij een aantal van 40 leerlingen, het aantal, dat ook
volgens het Bevredigings-Rapport, behoudens den genoemden
noodmaatr­egel, het minimum is, dat aanspraak geeft op bekos-
tiging van Rijkswege.
Tenslotte wijzen wij op een onduidelijkheid in artikel 59
alinea 2 van het Bevredigings-Rapport. Daar wordt onder
de eischen, aan de bijzond·ere scholen te stellen, ook deze
genoemd, dat het onderwijs er tenminste 22 uur per week
moet worden gegeven, waarvan ten hoogste 2 uur in de
nuttige han-dwerken voor meisjes. Nu blijkt niet duidelijk,
dat die 22 uren moeten worden besteed aan de in art. 2
der wet genoemde vakken, zoodat bijv. het aantal lesuren
voor godsdienstonderwijs uit te trekken, ongelimiteerd lijkt.
Wa.arschijnlijk ligt dit niet in de bedoeling, maar duidelijker
. formuleering schijnt hier gewenscht.
In de derde plaats beschouwen wij als waarborg voor een
behoorlijke inrichting van openbaar en bijzonder onderwijs
beide, een b·etere regeling van het Rijksschooltoezieht.
In de conc-ept­wet van de Bevredigings-Commissie worden
onder Artikel VII een reeks bepalingen daaromtrent voor-
gesteld. De toelichting bij deze voorstellen is echter zeer
sober èn bij d·e algemeene beschouwing èn bij de artikels-
gewijze behandeling. Een eenigszins nauwkeuriger omschrij-
ving van de wijze, waarop het toezicht moet worden gedacht,
schijnt dan ook zeer noodig.
Vrij algemeen is men van oordeel, dat het verschil tusschen