HomeDe uitwerking van het nieuwe art. 192 der grondwetPagina 29

JPEG (Deze pagina), 861.57 KB

TIFF (Deze pagina), 7.90 MB

PDF (Volledig document), 110.98 MB

27
punt is de regeling van het minimum-aantal onderwijzers.
Onze Commissie kan zich niet geheel vereenigen met het
daaromtrent door de Bevredigings-Commissie voorgestelde.
Art. 24 van haar rapport stelt het minimum-aantal onder-
wijzers vast, dat aan iedere school, openbare zoowel als
bijzondere, moet werkzaam zijn. Art. 48 voegt daar nog
enkele surnumeraire leerkrachten aan toe. De jaarwedden
dier onderwijzers worden voor beide soorten van scholen
door het Rijk vergoed. Dat aantal benoodigd·e en door de
rijkskas bezoldigde onderwijzers is echter voor de groote
scholen zeer bescheiden en bedraagt minder, dan nu veelal
in groote stadsscholen wordt aangetroffen. Volgens die re-
geling toch wordt een rijksjaarwedde uitgekeerd voor ten
hoogste
1 onderwijzer voor 25 leerlingen
3 onderwijzers ,, 26- 90 ,,
4 2) J) J)
5 77 7) J)
6 J) J) J)
7 )) D) J)
9 J) )J 3 I P) U
ln groote steden, Amsterdam bijv., is het aantal onderwij-
zers gewoonlijk meer, ook wijl daar aan het hoofd der
school, die in bovenstaande tabel meegerekend wordt, tot
nu gewoonlijk geen vaste klasse is opgedragen. Scho-
len van 4oo leerlingen tellen daar gewoonlijk 13 of 14
leerkrachten, d.i. 3 of 4 meer dan het wettelijk minimum.
Het is niet te verwachten, dat bij invoering der nieuwe
wet het aantal onderwijzers aan die scholen zal worden in-
gekrompen, wat trouwens niet mogelijk zou zijn, zonder het
maximum aantal leerlingen per klasse te verhoogen. De
Staatscommissie rekent daar ook blijkbaar niet op, want,
gelijk wij reeds zeiden, onder de verbeteringen, die aan het
onderwijs zouden kunnen worden aangebracht, noemt zij in
al. 3 van art. 54 ter met name: ,,Verlaging van het maximum
getal leerlingen, dat per klasse wordt toegelaten."
Daarentegen schijnt de sprong van één onderwijzer beneden
25 op 3 onderwijzers boven 25 leerlingen, die volgens de
regeling der Bevredigings-Commissie van het Rijk geeischt
kunnen worden, te groot, en het is voorts niet in te zien,
waarom van de willekeur van een gemeente- of schoolbestuur
de aanstelling van een derden onderwijzer zou afhangen.
VVanneer een derde leerkracht noodig is, en dat zij noodig
is wordt erkend door de bepaling, volgens welke het Rijk