HomeDe uitwerking van het nieuwe art. 192 der grondwetPagina 22

JPEG (Deze pagina), 914.60 KB

TIFF (Deze pagina), 7.91 MB

PDF (Volledig document), 110.98 MB

l
l
i zo _
l 1
i genieentebesturen, zoowel rechtsche als linksche, gebleken j
1 zijn tekort tc schieten in de zorg voor het onderwijs, zoo ‘
[ zij dit uit eigen middelen moeten betalen. Op dien grond
p van ,,den alom bek-enden onwil van vele gemeentebesturen
1 om mede te werken tot een behoorlijke vervulling van hun
I onderwijstaak" heeft reeds in 1904 het N. O. G. gepleit
i voor ,,Onderwijs-Rijkszaak".1) ‘
Evcnwel bestaan tegen deze oplossing ook ernstige be- 3
zwaren. Vooreerst wordt wel de politieke schoolstrijd uit q
de gemeenten geweerd, maar hij wordt weer overgebracht {
naar de Rijkspolitiek. Immers de Rijksorganen zullen dan
zeer belangrijken invloed krijgen op het onderwijs; elke ver- J
betering van onderwijstoestanden zal van hen afhankelijk zijn, l
terwijl in het stelsel der Staatscommissie alleen vaste, in
de wet neergelegde bedragen voor salarissen van Rijkswege
j zullen worden betaald. Nog ernstiger evenwel dan dit be- jj
trekken van onderwijsvragen in de vragen van algemeene j
landspolitiek, schijnt het gevaar eener bureaucratische ver- ~
stijving van het onderwijsbeheer. Alle zaken zullen dan uit-
sluitend door ambtenaren worden geregeld, alles zal ,,van
boven af" gaan; de burgerij, de directe belanghebbenden,
zullen zich op geen andere wijze kunnen doen gelden dan j
langs den zeer langen weg: over Tweede Kamer, Minister, [
Ministerieele Bureaux, heen. Op dien langen weg zal niet l
veel meer overblijven van de stuwkracht, die zij onder de
bestaande wetgeving, althans in gunstige omstandigheden,
kan oefenen door haar vertegenwoordigers in de gemeente-
raden. Omgekeerd wordt voor verflauwing der belangstel-
ling van de burgerij in het onderwijs gevreesd, wanneer zij
geen organen bezit, waardoor de belangstelling zich in de
daad kan omzetten, en dit zal tot een nieuwen voorsprong
van het bijzonder onderwijs kunnen leiden. j
' De Commissie meent dat de geschetste gevaren naar beide jj
j zijden zouden zijn te ondervangen, door de inst·elling van
nieuwe organen voor het beheer der onderwijszaken. Het ;
vraagstuk der grondwettelijke toelaatbaarheid van zulke nieu-
we publiekrechtelijke organen meent onze Commissie onbe-
sproken te kunnen laten, nu juristen van den eersten rang die W
toelaatbaarheid hebben bepleit ·en de Nederlandsche juristen- ï
vereeniging, zich in haar laatste jaarvergadering met bijna al-
gemeene stemmen daarmede heeft vereenigd. De bedoelde or- ,
1) Ook de Ver. van Hoofden van Scholen in Nederland sprak zich
in 1914 uit voor Onderwijs-Rijkszaak.
l