HomeDe uitwerking van het nieuwe art. 192 der grondwetPagina 19

JPEG (Deze pagina), 935.32 KB

TIFF (Deze pagina), 7.93 MB

PDF (Volledig document), 110.98 MB

I7
wel, men zou door een wettelijk verbod het hebben van
eigen fondsen of het geven van afzonderlijke bijdragen kun-
nen beletten. Langs dezen weg zou men dan den gevreesden
uitslag kunnen voorkomen, dat voortaan de openbare school
de armenschool zou worden, terwijl de bijzondere school
overal de beter ingerichte school zou zijn, die naast dezelfde
gelden als de openbare, ook nog over bijzondere fondsen
beschikt.
Ongetwijfeld zou zulk een b‘epaling niet in strijd komen
met de eischen van het grondwetsartikel en het zou de
financieele gelijkstelling van bijzonder en openbaar onder-
wijs tot werkelijkheid maken. De bezwaren, boven ontwik-
keld, dat de financieele gelijkstelling bij de wet ongelijk-
heid metterdaad zou beteekenen, zou daardoor worden
ondervangen, en de vrees, dat in de toekomst het openbaar
onderwijs niet meer tegen het bijzonder onderwijs zou kun-
nen concurreeren, zou daardoor worden verlicht. Op dien
grond werd de wenschelijkheid betoogd bepalingen in dezen
zin in de wet op te nemen.
Daartegen rezen echter ernstige bedenkingen. Voor-
eerst werd opgemerkt, dat men zulke bepalingen nooit zal
kunnen handhaven. Het zal altijd op de een of andere
wijze mogelijk blijken die bepalingen te ontduiken. Gesteld,
dat men uit bijzondere fondsen de onderwijzerssalarissen wil
verbeteren, hoe zal dan de wet kunnen voorkomen, dat het
bestuur van een ,,bevri·ende vereeniging" den onderwijzer
naast zijn eigenlijke schooltaak een goed betaalde, weinig
tijdroovende, nevenbetrekking opdraagt? Of gesteld, dat men
de schoolgelden zal restitueeren om zoodoende leerlingen naar
de bijzond·ere school te trekken, wie kan dan beletten dat
aan de ouders dier leerlingen die schoolgelden door een
daartoe gestichte vereeniging met eigen fondsen, worden te-
rugbetaald, of wie zal kunnen verhinderen, dat bepaalde voor-
deelen, het gebruik van een badgelegenheid of een bibliotheek,
of gelden voor schoolreisjes en dergelijke aan de leerlingen
van bepaalde scholen worden aangeboden?
Nog gewichtiger echter dan deze bedenkingen op grond
van onuitvoerbaarheid in de praktijk van het geopperde
denkbeeld, waren de principiëele bezwaren, ertegen ontwik-
keld. Kan het, zoo werd gevraagd, inderdaad in de bedoeling
van voorstanders van het onderwijs liggen, maatregelen aan
te bevelen die beletten dat een bepaalde tak van onderwijs
zoo goed mogelijk worde gemaakt? Moeten wij ons niet
veeleer verheugen in alle levende belangstelling in het on-
2