HomeDe uitwerking van het nieuwe art. 192 der grondwetPagina 123

JPEG (Deze pagina), 887.11 KB

TIFF (Deze pagina), 7.90 MB

PDF (Volledig document), 110.98 MB

I
121
onderwijzers eener school, een zeker getal te boven gaat,
aan het hoofd der school niet het onderwijs aan eene vaste
V klasse mag worden opgedrag·en.
4e. Mijn slotopmerking geldt den grondslag voor de sa-
larisregeling, die de Commissie heeft ontworpen.
Men kan van m·eening zijn, dat de jaarwedde van den ambt-
tenaar het loon - nog duidelijker: de betaling - 'behoort
te zijn voor den door hem geleverden arbeid. ln dien gedach-
tengang is het onverschillig, wie den arbeid verricht, daar
niet d·e arbeider gehonoreerd, maar de arbeid betaald wordt.
Op dat standpunt schijnt de Commissie zich te stellen blij-
kens hare uitspraak, dat verschil in salariëering tusschen man-
nen en vrouwen ongewenscht is, evenzeer als zij gekant is
teg·en ieder denkbeeld van afzonderlijke toelagen voor ver-
goeding of tegemoetkoming in woninghuur, van kindertoeslag
en dergelijke. ‘
Op dat standpunt staat men veilig, indien men althans l
niet, als deze Commissie, er dadelijk weer afstapt. Op de
aangehaalde woorden toch volgen onmiddellijk deze:
De Commissie meent, dat voor ziekte en zwangerschap
ge·en korting op het salaris behoort plaats te hebben.
Tijden van ziekte en zwangerschap brengen voor het
gezin verhoogde uitgaven mede en het gaat niet aan,
dat de Staat en de Gemeenten, in plaats van in deze .
uitgaven tegemoet te komen, een deel van het salaris
inhouden. l
Hier lijkt mij de logica geheel zoek. Wat heeft de
Staat, op het standpunt van de Commissie, met het
gezin van den ambtenaar te maken? De naaister, die j
wegens ziekte of zwangerschap haar werk niet kan ver-
richten, verliest toch ook haar verdiensten gedurende dien tijd? A
Voor mij echt­er ligt de fout niet in de tweede, maar in E
de eerste uitspraak. De jaarwedde van den ambtenaar is
niet de koopprijs voor zijn arbeid, maar de in geld uitgedrukte
onderhoudsplicht van de gemeenschap. De staat moet den
_ ambtenaar, casu quo met zijn wettig gezin, onderhouden
•, en in die opvatting ligt voldoende grond, om onderscheid
te maken tusschen de salariëering van mannen en vrouwen,
van gehuwden en ongehuwden.
Er zou natuurlijk nog veel meer van te zeggen zijn, maar
wijl dit onderwerp reeds herhaaldelijk is besproken en van
alle kanten bezien, meen ik met deze enkele opmerkingen
te kunnen volstaan.
Amsterdam, januari IQI8. C. F. A. ZERNIKE. E
jj l
J