HomeDe uitwerking van het nieuwe art. 192 der grondwetPagina 122

JPEG (Deze pagina), 0.95 MB

TIFF (Deze pagina), 7.90 MB

PDF (Volledig document), 110.98 MB

ïgl
12o
il?
'ïïl;.
lj.; bij winnen zou, indien aan den -directeur of rector meer
gezag over de leeraren was toegekend.
Verder bedenke men, dat een groot aantal lagere scholen
gj inrichtingen zijn met 2, 3 of 4 leerkrachten, waar de vraag ,.
naar wetgevende schoolvergaderingen een eenigszins komisch
lj?. effect moet maken. Het nog vigeerende art. 2I der lagere
onderwijswet, dat de onderwijzers volkomen negeert, is even-
g2;ï' zeer uit den tijd, als art. 24, volgens hetwelk de onderwijzers
het hoofd der school ,,bijstaan". Maar de Commissie had,
dunkt me, volkomen vrede kunnen hebben met de wijzigingen,
Qfl. die de Bevredigings-Commissie in art. 2I voorstelt, waar in
belangrijke aangelegenheden bespreking met de gezamenlijke
onderwijzers der school verplicht wordt gesteld en waar voor-
geschreven wordt, dat hunne eventueel afwijkende voorstellen
ter kennisse der beslissende autoriteiten behoor·en gebracht
te worden. Hiermede is, naar ik meen, genoeg geschied, om
den onderwijzers eene betamelijke mate van zelfstandigheid
te waarborgen. Men mag toch ook niet het oog sluiten voor
j-§~;J het gevaar, dat in eene te ver doorgevoerde democratiseering
der school ligt opgesloten, en waarvan de symptomen reeds
nu en dan duidelijk zichtbaar worden, het gevaar namelijk,
I;fi§l dat aan de autoriteiten buiten de school een te groote invloed
zal worden toegekend, waarvan het onvermijdelijk gevolg
zal zijn, dat de uniformiteit zal toenemen en het persoonlijk
karakter, dat elke Nederlandsche school toch nog eeniger-
mate bewaren kan, zal worden opgeofferd. Mij lijkt de schade,
die daardoor aan het onderwijs zou worden toegebracht, veel
grooter, dan het gehoopte voordeel, dat de onderwijzers, door
voldoening aan hunne gerechtvaardigde verlangens, tevreden
Qi? zouden gesteld worden, een verwachting trouwens, die blij-
kens de hier achtergevoegde nota toch ijdel zou zijn.
lk meen, dat de school, evenals iedere .andere inrichting,
waar velen tot eenzelfde doel samenwerken, ·er slechts wel
Lg; bij varen kan, indien men de verantwoordelijkheid voor den
gang va.n zaken, binnen de door wet en verordeningen ge-
trokken lijnen, op de schouders van éénen persoon legt;
deze voelt die verantwoordelijkheid veel sterker, dan ooit een
veelheid die voelen kan. Maar zulk een verantwoordelijkheid
lf; is alleen dan te dragen, indi·en men den drager een redelijke '4
jlïl mate van gezag, dat is: van zeggenschap toekent. Om daar-
toe te geraken, meen ik, dat h·et dringend noodig is, dat de
toekomstigewetgever aan het zoogenaamde ,,am'bulant1sme"
eene wettelijke plaats verzekere. Men zou bijv. kunnen
bepalen, dat als het aantal leerlingen, of wel het aantal
in
.j'
j
lt lt
ll )
il?
gi jl K g _ _ ggg, 1